Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
Esther (apocrief) 10
Mordechai legt zijn droom uit
De kleine bron werd een rivier
Mordechai zei: Dit is van God gekomen.
Want ik denk aan de droom die ik hierover gezien heb, en geen onderdeel daarvan is voorbijgegaan.
De kleine bron is een rivier geworden, en er was licht en een zon en veel water.
Die rivier is Esther, met wie de koning getrouwd is en die hij koningin gemaakt heeft.
Die rivier is Esther, met wie de koning getrouwd is en die hij koningin gemaakt heeft.
De twee draken zijn ik en Haman.
En de volken zijn die samengekomen waren om de naam van de Joden uit te wissen.
Mijn volk is het volk van Israël, dat tot God riep en gered werd.
De Heere heeft Zijn volk behouden en verlost uit al deze rampen, en God heeft grote tekenen en wonderen gedaan, zoals er onder de volken niet gebeurd zijn.
De Heere heeft Zijn volk behouden en verlost uit al deze rampen, en God heeft grote tekenen en wonderen gedaan, zoals er onder de volken niet gebeurd zijn.
Daarom heeft Hij twee loten gemaakt: één voor het volk van God en één voor alle volken.
En deze twee loten zijn voor God gekomen op het uur, de tijd en de dag van het oordeel, dat over alle volken is vastgesteld.
God heeft aan Zijn volk gedacht en Zijn erfdeel recht gedaan.
Daarom zullen deze dagen voor hen feestdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag van die maand, met samenkomst, vreugde en blijdschap voor God, door elk geslacht, voor altijd, onder Zijn volk.