Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Deuteronomium 20

Regels voor de oorlog

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Wees niet bang
Stel dat je ten strijde trekt tegen je vijanden en een leger ziet met paarden en wagens, groter dan het jouwe.
Wees dan niet bang voor hen.
Want de HEERE, je God, die je uit Egypte heeft geleid, is met je.

Voordat jullie de strijd aangaan, moet de priester naar voren komen en het volk toespreken.
Hij zegt tegen hen: Luister, Israël!
Vandaag gaan jullie de strijd aan tegen jullie vijanden.
Wees niet moedeloos.
Wees niet bang, beef niet en schrik niet van hen.

Want de HEERE, jullie God, trekt met jullie mee.
Hij strijdt voor jullie tegen jullie vijanden en zal jullie redden.

Wie naar huis mag gaan
Daarna zeggen de bestuurders tegen het volk: Wie heeft er een nieuw huis gebouwd en het nog niet ingewijd?
Die mag teruggaan naar huis.
Anders sneuvelt hij misschien en wijdt een ander het in.

Wie heeft er een wijngaard geplant en er nog niet van geoogst?
Die mag teruggaan naar huis.
Anders sneuvelt hij misschien en oogst een ander ervan.

Wie is er verloofd en nog niet getrouwd?
Die mag teruggaan naar huis.
Anders sneuvelt hij misschien en trouwt een ander met haar.

Verder zeggen de bestuurders tegen het volk: Wie is er bang en moedeloos?
Die mag teruggaan naar huis.
Anders ontneemt hij zijn broers de moed, net als zichzelf.

Als de bestuurders klaar zijn met hun toespraak tot het volk, stellen zij legeraanvoerders aan het hoofd van het volk.
Een stad belegeren
Als je een stad nadert om haar aan te vallen, bied haar dan eerst vrede aan.
Als zij de vrede aanneemt en haar poorten voor je opent, dan moet het hele volk daar dwangarbeid voor je doen en je dienen.
Maar als zij geen vrede met je sluit en tegen je vecht, belegert haar dan.
De HEERE, je God, zal haar aan je overleveren.
Dood dan alle mannen in de stad met het zwaard.

Maar de vrouwen, de kinderen, het vee en alles wat verder in de stad is, mag je als buit nemen.
Je mag de buit van je vijanden gebruiken, die de HEERE, je God, je gegeven heeft.

Zo moet je doen met alle steden die heel ver van je vandaan liggen en niet horen bij de volken hier.
Maar in de steden van deze volken, die de HEERE, je God, je als erfdeel geeft, mag je niets laten leven wat adem heeft.
Sla hen volledig met de ban: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.
Doe wat de HEERE, je God, je heeft opgedragen.

Anders leren zij jullie al hun gruwelijke gewoonten, die zij voor hun goden doen.
Dan zondigen jullie tegen de HEERE, jullie God.

Stel dat je een stad lange tijd belegert om haar in te nemen.
Vernietig dan haar bomen niet door er met de bijl op in te hakken.
Je kunt ervan eten, dus hak ze niet om.
Want de bomen op het veld zijn voedsel voor de mens.
Ze zijn er niet om er belegeringswerken van te maken.

Alleen bomen waarvan je weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag je omhakken.
Daarmee mag je belegeringswerken bouwen tegen de stad die met je in oorlog is, tot zij valt.

Download hoofdstuk als tekstbestand