Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Deuteronomium 15

Het jaar van kwijtschelding

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Schulden kwijtschelden
Schel aan het eind van elke zeven jaar de schulden kwijt.
Dat gaat zo: iedere schuldeiser die zijn naaste iets geleend heeft, scheldt het hem kwijt.
Hij mag zijn naaste, zijn broer, niet tot betalen dwingen, want er is een kwijtschelding voor de HEERE uitgeroepen.

Van een buitenlander mag je betaling eisen.
Maar wat je broer je schuldig is, moet je hem kwijtschelden.

Toch zou er onder jullie geen arme moeten zijn.
Want de HEERE zal je rijk zegenen in het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft om het te bezitten.

Dat zal Hij doen als je goed naar de HEERE, je God, luistert.
Houd je dan nauwkeurig aan al deze geboden die ik je vandaag geef.

Want de HEERE, je God, zal je zegenen, zoals Hij je beloofd heeft.
Dan zul je aan veel volken lenen, maar zelf niets hoeven te lenen.
Je zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet over jou heersen.

Wees gul voor de arme
Stel dat er bij je een arme is, een van je broers.
Hij woont in een van de steden in het land dat de HEERE, je God, je geeft.
Wees dan niet hardvochtig en houd je hand niet dicht voor je arme broer.

Open je hand gul voor hem.
Leen hem ruim genoeg voor wat hij nodig heeft.

Pas op dat je niet bij jezelf de slechte gedachte hebt: Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding, komt eraan.
Kijk dan niet onvriendelijk naar je arme broer, zodat je hem niets geeft.
Want dan roept hij tegen je tot de HEERE, en rust er zonde op je.

Geef hem gul, en geef niet met tegenzin.
Want daarom zal de HEERE, je God, je zegenen in al je werk en in alles wat je onderneemt.

Er zullen altijd armen in het land zijn.
Daarom draag ik je op: open je hand gul voor je broer, voor de noodlijdenden en de armen in je land.

Hebreeuwse slaven vrijlaten
Stel dat een van je broers, een Hebreeuwse man of vrouw, aan je verkocht wordt.
Die mag zes jaar voor je werken, maar in het zevende jaar moet je hem vrijlaten.

Als je hem vrijlaat, stuur hem dan niet met lege handen weg.
Geef hem ruim mee van je kudde, van je dorsvloer en van je wijnpers.
Geef hem van alles waarmee de HEERE, je God, je gezegend heeft.

Denk eraan dat je zelf slaaf bent geweest in Egypte, en dat de HEERE, je God, je bevrijd heeft.
Daarom geef ik je vandaag dit gebod.

Maar misschien zegt hij tegen je: Ik wil niet bij u weggaan.
Dat kan omdat hij jou en je gezin liefheeft en het goed bij je heeft.

Neem dan een priem en steek die door zijn oor in de deur.
Dan blijft hij voor altijd je slaaf.
Doe hetzelfde met je slavin.

Vind het niet moeilijk om hem vrij te laten.
Want hij heeft zes jaar voor je gewerkt en was je dubbel zoveel waard als een dagloner.
Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in alles wat je doet.

Eerstgeboren dieren
Wijd alle mannelijke eerstgeboren dieren van je runderen, schapen en geiten aan de HEERE, je God.
Laat een eerstgeboren rund niet voor je werken en scheer een eerstgeboren schaap niet.

Eet ze elk jaar met je gezin voor de HEERE, je God, op de plaats die de HEERE zal kiezen.
Maar misschien heeft een dier een gebrek: het is mank of blind, of het heeft een ander ernstig gebrek.
Offer het dan niet aan de HEERE, je God.

Eet het in je woonplaats.
Wie onrein is en wie rein is, mogen het samen eten, zoals je een gazelle of een hert eet.

Alleen het bloed mag je niet eten.
Giet het als water op de grond.

Download hoofdstuk als tekstbestand