Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Daniël 9

Het gebed van Daniël en de zeventig weken

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Zeventig jaar volgens Jeremia
Het was in het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit de Meden.
Hij was koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën.
In het eerste jaar van zijn regering merkte ik, Daniël, in de boeken iets op.
Het woord van de HEERE was tot de profeet Jeremia gekomen over het aantal jaren van de verwoesting van Jeruzalem.
Dat waren zeventig jaar.
Toen richtte ik mij tot God, de Heere.
Ik zocht Hem met gebed en smeekbeden, met vasten, met een rouwkleed en met as.
Wij hebben gezondigd
Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis.
Ik zei: Ach Heere, U bent de grote en ontzagwekkende God.
U houdt zich aan het verbond en bent trouw aan wie U liefhebben en Uw geboden houden.

Wij hebben gezondigd en onrecht gedaan.
Wij hebben goddeloos gehandeld en zijn in opstand gekomen.
Wij zijn afgeweken van Uw geboden en Uw regels.

Wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten.
Zij spraken in Uw naam tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel het volk van het land.

Bij U, Heere, is de gerechtigheid.
Bij ons is de schaamte, zoals het vandaag is.
Zo is het bij de mannen van Juda, bij de bewoners van Jeruzalem en bij heel Israël, dichtbij en ver weg.
Zij wonen in alle landen waarheen U hen verdreven hebt om hun ontrouw aan U.

Heere, bij ons is de schaamte, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
Bij de Heere, onze God, is barmhartigheid en vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.
Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God.
Wij leefden niet naar Zijn wetten, die Hij ons gegeven heeft door Zijn knechten, de profeten.

Heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken.
Zij luisterden niet naar Uw stem.
Daarom is over ons de vloek uitgestort die opgeschreven staat in de wet van Mozes, de knecht van God.
Want wij hebben tegen Hem gezondigd.

Hij heeft Zijn woorden waargemaakt die Hij tegen ons en tegen onze rechters gesproken had.
Hij bracht een groot onheil over ons.
Nergens onder de hemel is zoiets gebeurd als in Jeruzalem.

Zoals in de wet van Mozes geschreven staat, is al dat onheil over ons gekomen.
Toch hebben wij de HEERE, onze God, niet om genade gesmeekt.
Wij keerden ons niet af van onze zonden en letten niet op Uw waarheid.

Daarom heeft de HEERE over dat onheil gewaakt en het over ons gebracht.
Want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in alles wat Hij doet.
Wij hebben niet naar Zijn stem geluisterd.

En nu, Heere, onze God, U hebt Uw volk met sterke hand uit Egypte geleid.
Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals die vandaag nog is.
Wij hebben gezondigd; wij waren goddeloos.

Heere, doe zoals U altijd doet in Uw gerechtigheid.
Laat Uw toorn en Uw woede toch afgewend worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg.
Want door onze zonden en de schuld van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk een spot voor iedereen om ons heen.

En nu, onze God, luister naar het gebed van Uw knecht en naar zijn smeekbeden.
Laat Uw gezicht weer stralen over Uw verwoeste heiligdom, om Uzelf.

Neig Uw oor, mijn God, en luister.
Open Uw ogen en zie onze puinhopen en de stad waarover Uw naam is uitgeroepen.
Wij leggen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheid, maar op grond van Uw grote barmhartigheid.

Heere, luister!
Heere, vergeef!
Heere, let op en doe het!
Wacht niet langer, om Uzelf, mijn God.
Want over Uw stad en Uw volk is Uw naam uitgeroepen.

Gabriël komt met een antwoord
Ik sprak nog en bad.
Ik beleed mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël.
Ik legde mijn smeekbede neer voor de HEERE, mijn God, om de heilige berg van mijn God.
Terwijl ik nog in gebed was, kwam de man Gabriël snel aangevlogen.
Ik had hem eerder in een visioen gezien.
Hij raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer.
Hij gaf mij onderwijs en sprak met mij.
Hij zei: Daniël, ik ben gekomen om je inzicht te geven.
Toen je begon te smeken, ging er een woord uit.
Ik ben gekomen om het je te vertellen, want je bent geliefd.
Begrijp dit woord en let op het visioen.

Zeventig weken zijn vastgesteld over je volk en over je heilige stad.
Dan zal de ontrouw beëindigd worden en zullen de zonden verzegeld worden.
De schuld zal verzoend worden en er zal een eeuwige gerechtigheid komen.
Het visioen en de profeet zullen bezegeld worden en het allerheiligste zal gezalfd worden.

Weet dan en begrijp het goed.
Vanaf het woord om Jeruzalem te herbouwen tot op de Messias, de Vorst, zijn er zeven weken en tweeënzestig weken.
De straten en de grachten zullen weer opgebouwd worden, maar in een tijd van benauwdheid.

Na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar niet voor zichzelf.
Het volk van een vorst die komt, zal de stad en het heiligdom verwoesten.
Zijn einde komt als een overstroming.
Tot het einde toe zal er oorlog zijn en de verwoestingen staan vast.

Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang.
In de helft van die week zal hij het slachtoffer en het graanoffer laten ophouden.
Op de vleugel van het heiligdom zal een gruwel staan die verwoesting brengt.
Zo zal het gaan tot het vastgestelde einde over de verwoester wordt uitgestort.

Download hoofdstuk als tekstbestand