Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

Baruch 2

Wij hebben gezondigd

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Wat de Heere gezegd had, is gebeurd
De Heere heeft Zijn woord waargemaakt dat Hij gesproken had over ons, over onze rechters die Israël rechtspraken, over onze koningen, over onze leiders en over de mannen van Israël en Juda:
dat Hij over ons grote ellende zou brengen, zoals Hij nergens onder de hemel gedaan heeft en zoals Hij met Jeruzalem gedaan heeft, volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes,
zodat wij het vlees van onze eigen zoon en van onze eigen dochter zouden eten.
Hij heeft hen overgegeven om slaven te zijn in alle koninkrijken om ons heen, tot een schande en een verwoesting onder alle volken om ons heen, waaronder de Heere hen verstrooid heeft.
Zij kwamen onderaan te staan en niet bovenaan, omdat wij gezondigd hebben tegen de Heere, onze God, en niet naar Zijn stem geluisterd hebben.
Bij de Heere, onze God, is de gerechtigheid, maar bij ons en onze voorouders de schaamte op het gezicht, zoals deze dag zelf laat zien.
Alles wat de Heere over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.
En wij hebben het gezicht van de Heere niet gezocht, zodat ieder van ons zich zou afkeren van de gedachten van zijn slechte hart.
De Heere was waakzaam in het straffen en heeft dat over ons gebracht, want de Heere is rechtvaardig in alles wat Hij ons geboden heeft.
Maar wij luisterden niet naar Zijn stem om te leven naar de geboden van de Heere die Hij ons gegeven had.
Laat Uw toorn zich van ons afkeren
En nu, Heere, God van Israël, U hebt Uw volk uit Egypte geleid met sterke hand, met tekenen en wonderen, met grote kracht en met opgeheven arm, en U hebt Zich een naam gemaakt, zoals deze dag laat zien.
Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij hebben onrecht gedaan, Heere, onze God, tegen al Uw voorschriften.
Laat Uw toorn zich van ons afkeren, want wij zijn met weinigen overgebleven onder de volken waarheen U ons verstrooid hebt.
Verhoor, Heere, ons gebed en onze smeekbede, en haal ons hieruit om Uzelf, en geef ons genade bij hen die ons weggevoerd hebben,
zodat heel de aarde weet dat U de Heere, onze God, bent en dat Israël en zijn nageslacht naar Uw naam genoemd worden.
Heere, kijk neer uit Uw heilige huis en denk aan ons.
Neig, Heere, Uw oor en hoor.

Open Uw ogen, Heere, en zie.
Want de doden in het graf, uit wie de geest is weggenomen, zullen de Heere geen eer en gerechtigheid geven,
maar de ziel die diep bedroefd is, de geest die gebogen en zwak voortgaat, de ogen die bezwijken en de ziel die honger heeft, die zullen U, Heere, eer en gerechtigheid geven.
Want wij storten ons ellendige gebed niet voor U uit op grond van de gerechtigheid van onze voorouders en onze koningen.
Want U hebt Uw toorn en woede over ons gebracht, zoals U gesproken hebt door Uw dienaren, de profeten, toen U zei:
Wat de profeten hebben gezegd
Dit zegt de Heere: buig je schouder om de koning van Babylonië te dienen, dan zullen jullie blijven wonen in het land dat Ik jullie voorouders gegeven heb.
En als jullie niet naar de stem van de Heere luisteren om de koning van Babylonië te dienen,
dan zal Ik ervoor zorgen dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem de stem van vreugde en blijdschap ophoudt, de stem van bruidegom en bruid, en dat het hele land zonder bewoners komt te liggen.
Maar wij hebben niet naar Uw stem geluisterd om de koning van Babylonië te dienen.
Daarom hebt U Uw woorden waargemaakt die U gesproken had door Uw dienaren, de profeten: dat de botten van onze koningen en de botten van onze voorouders uit hun graf gehaald zouden worden.

Kijk, zij liggen weggegooid in de hitte van de dag en de kou van de nacht.
Zij zijn gestorven onder zware ellende, door honger, door het zwaard en door wegvoering.

U hebt het huis waarin Uw naam werd aangeroepen gemaakt zoals het vandaag is, om de slechtheid van het huis van Israël en het huis van Juda.
Zij zullen tot inkeer komen
U hebt met ons gedaan, Heere, onze God, naar al Uw redelijkheid en al Uw grote barmhartigheid,
zoals U gesproken hebt door Uw dienaar Mozes, op de dag dat U hem opdroeg Uw wet op te schrijven voor de Israëlieten, toen U zei:
Als jullie niet naar Mijn stem luisteren, dan zal deze grote menigte werkelijk veranderen in een klein groepje onder de volken waarheen Ik hen zal verstrooien.
Want Ik weet dat zij niet naar Mij zullen luisteren, omdat het een koppig volk is.
Maar zij zullen tot inkeer komen in het land van hun ballingschap, en zij zullen erkennen dat Ik de Heere, hun God, ben.
Ik zal hun een hart geven en oren die horen.

Zij zullen Mij prijzen in het land van hun ballingschap en aan Mijn naam denken.
Zij zullen zich bekeren van hun koppigheid en van hun slechte daden, want zij zullen denken aan de weg van hun voorouders, die gezondigd hebben tegenover de Heere.
En Ik zal hen laten terugkeren naar het land dat Ik hun voorouders Abraham, Izak en Jakob gezworen heb.
Zij zullen daarover heersen, Ik zal hen talrijk maken en zij zullen niet minder worden.

En Ik zal met hen een eeuwig verbond bevestigen: dat Ik hun God zal zijn en zij Mijn volk zullen zijn.
En Ik zal Mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land dat Ik hun gegeven heb.

Download hoofdstuk als tekstbestand