Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

3 Ezra 4

Groot is de waarheid

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 10 minuten
De koning is de sterkste
Toen begon de tweede te spreken, die over de kracht van de koning gesproken had, en hij zei:
Mannen, zijn de mensen niet de sterksten, die het land en de zee in hun macht hebben en alles wat daarin is?
Maar de koning overtreft hen en heerst over hen en regeert hen, en alles wat hij hun zegt, gehoorzamen zij.
Als hij hun zegt dat zij elkaar oorlog moeten aandoen, doen zij het.
Als hij hen tegen hun vijanden uitstuurt, gaan zij.
Zij slechten de bergen, de muren en de torens.

Zij slaan dood en worden doodgeslagen, en het woord van de koning zullen zij niet overtreden.
En als zij overwinnen, brengen zij alles bij de koning: wat zij geroofd hebben en al het andere.

En allen die niet ten oorlog trekken en niet vechten, maar het land bewerken: wanneer zij gezaaid en gemaaid hebben, brengen zij de koning belasting.
En de een dwingt de ander om de koning belasting te brengen, terwijl hij maar één man is.

Zegt hij dat men moet doden, dan doden zij.
Zegt hij dat men moet ophouden, dan houden zij op.

Zegt hij dat men moet slaan, dan slaan zij.
Zegt hij dat men moet verwoesten, dan verwoesten zij.
Zegt hij dat men moet bouwen, dan bouwen zij.

Zegt hij dat men moet afbreken, dan breken zij af.
Zegt hij dat men moet planten, dan planten zij.

En heel zijn volk en al zijn legers gehoorzamen hem.
Bovendien, als hij gaat zitten, eet, drinkt en slaapt, houden zij in een kring rondom hem de wacht, en niemand durft weg te gaan of zijn eigen werk te doen, en zij zijn hem niet ongehoorzaam.
Mannen, hoe zou de koning dan niet de sterkste zijn, die zo gehoorzaamd wordt?
En hij zweeg.
De vrouwen zijn sterker
De derde, die over de vrouwen en over de waarheid gesproken had, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:
Mannen, niet de grote koning, niet de menigte mensen en niet de wijn is de sterkste.
Wie is het dan die over hen heerst of die hen regeert?
Zijn dat niet de vrouwen?
De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en heel het volk dat de zee en de aarde regeert, is uit hen geboren.

Zij hebben zelfs hen opgevoed die de wijngaarden planten waar de wijn uit komt.
Zij maken zelf de kleding van de mensen, zij maken wat de mensen sieren, en mensen kunnen niet zonder vrouwen.
En al hebben zij goud en zilver en allerlei mooie dingen verzameld, als zij een vrouw zien die mooi is van gezicht en gestalte,
dan laten zij dat allemaal liggen, richten hun ogen op haar en staren haar met open mond aan.
Zij verlangen meer naar haar dan naar het goud, het zilver en al het moois.

Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hij hecht zich aan zijn eigen vrouw.
Bij zijn vrouw laat hij zijn leven, en hij denkt niet meer aan zijn vader, zijn moeder of zijn land.
Ook daaraan moeten jullie weten dat de vrouwen jullie regeren.
Werken jullie niet en zwoegen jullie niet?
En geven jullie niet alles aan de vrouw?
Ja, een man neemt zijn zwaard en gaat langs de wegen liggen om te roven en te stelen, en hij vaart over zee en over de rivieren.

Hij ziet een leeuw en gaat het donker in, en wanneer hij gestolen, geroofd en geplunderd heeft, brengt hij het naar zijn geliefde.
En een man houdt meer van zijn eigen vrouw dan van zijn vader en zijn moeder.
Velen zijn hun verstand kwijtgeraakt om vrouwen, en zijn om hen slaven geworden.
En velen zijn omgekomen, gewurgd en hebben gezondigd om vrouwen.
En nu, geloven jullie mij niet?
Is de koning niet groot in zijn macht?
Zijn niet alle landen bang om hem aan te raken?

Toch heb ik hem en Apame gezien, de dochter van de wonderbaarlijke Bartacus, de bijvrouw van de koning, die aan de rechterhand van de koning zat.
Zij nam de kroon van het hoofd van de koning, zette die zelf op en sloeg de koning met haar linkerhand.
En bovendien keek de koning haar met open mond aan.
En als zij naar hem lachte, lachte hij ook.
En als zij boos op hem werd, vleide hij haar, zodat zij zich met hem zou verzoenen.

Mannen, hoe zouden de vrouwen dan niet sterk zijn, nu zij dat doen?
Maar de waarheid overwint alles
Toen keken de koning en de groten elkaar aan.
En hij begon over de waarheid te spreken.
Mannen, zijn de vrouwen niet sterk?
Groot is de aarde en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij draait in de cirkel van de hemel en keert op één dag terug naar haar plaats.

Is Hij niet groot die zulke dingen doet?
Maar de waarheid is groot en sterker dan die allemaal.

Heel de aarde roept de waarheid aan, en de hemel prijst haar.
Alle werken bewegen en beven, en bij haar is geen onrecht.

In de wijn zit onrecht, in de koning zit onrecht, in de vrouwen zit onrecht, in alle mensenkinderen zit onrecht, en al hun werken zijn onrecht.
In hen is geen waarheid, en in hun onrecht zullen zij omkomen.

Maar de waarheid blijft en is sterk voor altijd.
Zij leeft en heerst in alle eeuwen.

Bij haar is geen aanzien des persoons.
Zij maakt geen onderscheid, maar zij doet wat recht is en houdt zich ver van alles wat onrecht en slecht is, en iedereen heeft vreugde in haar werken.

In haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, het koningschap, de macht en de eer van alle eeuwen.
Geprezen zij de God van de waarheid!

En hij zweeg.
Toen riep heel het volk en zei: Groot is de waarheid, en zij is sterker dan alles.
Zerubabel vraagt om Jeruzalem
Toen zei de koning tegen hem: Vraag wat je wilt, ja meer dan er geschreven staat, en wij zullen het je geven, want je bent wijzer bevonden dan de anderen.
Je zult naast mij zitten en mijn verwant genoemd worden.

Toen zei hij tegen de koning: Denk aan uw belofte, die u gedaan hebt om Jeruzalem te bouwen, op de dag dat u uw koningschap ontving,
en dat u al het gerei zou terugsturen dat uit Jeruzalem meegenomen is, dat Cyrus apart gezet heeft toen hij beloofde Babel te verwoesten, en dat hij beloofde het daarheen terug te sturen.
En u hebt beloofd de tempel te bouwen die de Edomieten verbrand hebben toen Judea door de Chaldeeën verwoest werd.
En nu, dit is wat ik van u vraag, heer koning, en wat ik van u verlang.
Dit is de eer die ik van u vraag.
Ik vraag u dus de belofte na te komen die u met eigen mond aan de Koning van de hemel beloofd hebt na te komen.

Toen stond koning Darius op en kuste hem.
Hij schreef voor hem brieven aan alle rentmeesters, landvoogden, legeraanvoerders en vorsten, dat zij hem geleide moesten geven en allen die met hem optrokken om Jeruzalem te bouwen.
En aan alle landvoogden in Celo-Syrië en Fenicië en bij de Libanon schreef hij brieven, dat zij cederhout van de Libanon naar Jeruzalem moesten brengen en de stad met hem moesten bouwen.
En hij schreef aan alle Joden die uit zijn koninkrijk naar Judea optrokken over hun vrijheid: dat geen machthebber, landvoogd, vorst of rentmeester hun deuren zou binnengaan,
en dat heel het land dat zij bewoonden voor hen belastingvrij zou zijn, en dat de Edomieten de dorpen van de Joden zouden verlaten die zij ingenomen hadden,
en dat zij voor de bouw van de tempel jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die voltooid zou zijn,
en dat zij om op het altaar dagelijks brandoffers te brengen, zoals hun geboden was, nog tien talenten per jaar zouden bijdragen,
en dat allen die uit Babylonië zouden optrekken om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, zij en hun nakomelingen, met alle priesters die mee optrokken.
Hij schreef ook over het onderhoud van de priesters en over de priesterkleding waarin zij dienstdoen.
En hij schreef dat men de Levieten onderhoud moest geven, tot de dag dat het huis van God voltooid zou zijn en Jeruzalem herbouwd.
En hij schreef dat men allen die de stad bewaakten hun deel en hun loon moest geven.
En hij stuurde al het gerei terug dat Cyrus in Babylonië apart gezet had, en alles wat Cyrus bevolen had te doen, beval hij ook te doen en naar Jeruzalem te sturen.
Hij dankt de Koning van de hemel
Toen de jongeman naar buiten ging, hief hij zijn gezicht op naar de hemel, in de richting van Jeruzalem, en dankte de Koning van de hemel en zei:
Van U is de overwinning, van U is de wijsheid, van U is de eer, en ik ben Uw dienaar.
Geprezen bent U, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank U, Heere van onze voorouders.
Hij nam de brieven, ging op weg en trok naar Babylonië, en hij vertelde dit aan al zijn broeders.
Zij prezen de God van hun voorouders, omdat Hij hun verkwikking en bevrijding gegeven had,
zodat zij konden optrekken en Jeruzalem konden bouwen en de tempel waarover Zijn naam wordt uitgeroepen.
En zij vierden feest met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang.

Download hoofdstuk als tekstbestand