Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

3 Ezra 2

Cyrus geeft bevel te bouwen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Het bevel van Cyrus
In het eerste jaar dat Cyrus over de Perzen regeerde, zodat het woord van de Heere vervuld zou worden dat Hij door de mond van Jeremia gesproken had,
wekte de Heere de geest van Cyrus, de koning van de Perzen.
Die liet in heel zijn koninkrijk uitroepen, en ook op schrift, en zei:
Dit zegt Cyrus, de koning van de Perzen: de Heere van Israël, de allerhoogste Heere, heeft mij koning gemaakt over heel de aarde.
Hij heeft mij opgedragen voor Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, dat in Judea ligt.
Als er dan iemand van u is uit Zijn volk: de Heere zij met hem, en laat hij optrekken naar Jeruzalem in Judea en het huis bouwen van de Heere van Israël.
Dat is de Heere die in Jeruzalem woont.

En allen die bij die plaatsen wonen en daar zijn,
die moeten hem helpen met goud en zilver en met gaven, met paarden en lastdieren en met andere dingen die men als gelofte brengt naar de tempel van de Heere in Jeruzalem.
Toen stonden de voornaamsten op uit de families van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en allen bij wie God de geest opwekte om op te trekken en het huis van de Heere in Jeruzalem te bouwen.
En wie om hen heen woonden, hielpen hen met van alles: met zilver en goud, met paarden en lastdieren en met heel veel vrijwillige gaven van velen wie het op het hart gelegd was.
Het gerei gaat terug
Koning Cyrus haalde het heilige gerei van de Heere tevoorschijn dat Nebukadnezar uit Jeruzalem had weggevoerd en in zijn afgodentempel had gezet.
Cyrus, de koning van de Perzen, haalde het tevoorschijn en gaf het aan Mithridates, zijn schatmeester.
En door hem werd het overgedragen aan Sesbassar, de stadhouder van Judea.
Het aantal was: duizend gouden schalen voor drankoffers, duizend zilveren schalen voor drankoffers, negenentwintig zilveren wierookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderddertig zilveren bekers en duizend andere voorwerpen.
Alle voorwerpen die overgebracht werden, van goud en van zilver, waren vijfduizendvierhonderdnegenenzestig.
Die zijn teruggebracht door Sesbassar, met degenen die uit de ballingschap in Babylonië naar Jeruzalem kwamen.
De brief tegen de bouw
Maar in de tijd van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven Belemus, Mithridates, Tabellius, Rathymus, Balthemus en de schrijver Samellius aan hem tegen de bewoners van Judea en Jeruzalem, samen met de anderen die met hen waren aangesteld en in Samaria en op andere plaatsen woonden.
Dit is die brief:
Aan koning Artaxerxes, onze heer.
Uw dienaren Rathymus, aangesteld over de lopende zaken, en de schrijver Samellius en de anderen uit hun raad en de rechters in Celo-Syrië en Fenicië.

Laat het onze heer de koning bekend zijn dat de Joden die van u naar ons zijn teruggekeerd en in Jeruzalem zijn aangekomen, een afvallige en slechte stad, hun straten bouwen, hun muren herstellen en de tempel weer oprichten.
Als deze stad wordt opgebouwd en haar muren worden voltooid, dan zullen zij niet alleen geen belasting meer willen betalen, maar zullen zij zich ook tegen de koningen verzetten.
Omdat men nu bezig is met wat de tempel betreft, leek het ons goed dit niet na te laten,
maar onze heer de koning ervan op de hoogte te stellen, zodat er, als u dat goeddunkt, onderzoek gedaan wordt in de boeken die uw voorouders hebben nagelaten.
U zult in de kronieken die daarover geschreven zijn vinden en begrijpen dat die stad afvallig was en koningen en steden moeilijkheden bezorgd heeft,
en dat de Joden daarin van oudsher altijd afvallig en opstandig zijn geweest.
Daarom is die stad ook verwoest.

Wij laten u dus weten, heer koning, dat als deze stad opnieuw gebouwd wordt en haar muren weer opgericht worden, u geen toegang meer zult hebben tot Celo-Syrië en Fenicië.
Het antwoord van de koning
Toen schreef de koning terug aan de schrijver Rathymus, die over de lopende zaken ging, en aan Balthemus en aan de schrijver Samellius en aan de anderen die met hen waren aangesteld en in Samaria, Syrië en Fenicië woonden, het volgende:
Ik heb de brief gelezen die u mij gestuurd hebt, en ik heb daarop bevel gegeven onderzoek te doen.
Er is gebleken dat deze stad zich van oudsher tegen de koningen heeft verzet,
dat de mensen afvallig zijn geweest en daarin oorlogen gevoerd hebben, en dat in Jeruzalem machtige en strenge koningen geregeerd hebben, die ook belasting hebben opgelegd aan Celo-Syrië en Fenicië.
Nu dan, ik heb bevolen dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen, en dat men erop let dat er verder niets aan gedaan wordt,
en dat de slechtheid niet verder gaat en de koningen moeilijkheden bezorgt.
Toen wat koning Artaxerxes geschreven had was voorgelezen, spanden Rathymus en de schrijver Samellius en wie met hen waren aangesteld samen, en zij trokken haastig naar Jeruzalem met een leger van ruiters en voetvolk.
Zij begonnen wie daar bouwden tegen te houden.
Zo kwam de bouw van de tempel in Jeruzalem stil te liggen tot het tweede jaar van de regering van Darius, de koning van Perzië.

Download hoofdstuk als tekstbestand