Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 24

David telt het volk

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
De volkstelling
De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël.
Hij zette David tegen hen op en zei: Ga Israël en Juda tellen.
De koning zei tegen Joab, de legeraanvoerder die bij hem was: Trek door alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, en tel het volk.
Dan weet ik hoe groot het volk is.

Maar Joab zei tegen de koning: Laat de HEERE, uw God, het volk nog honderd keer zo groot maken als het nu is.
Laat mijn heer de koning het zelf zien.
Maar waarom wil mijn heer de koning dit?

Maar het woord van de koning ging boven dat van Joab en de legeraanvoerders.
Zo vertrokken Joab en de legeraanvoerders bij de koning om het volk Israël te tellen.
Zij staken de Jordaan over en sloegen hun kamp op bij Aroër, rechts van de stad in het midden van het dal van Gad.
Daarna gingen zij naar Jaëzer.
Daarna kwamen zij in Gilead en in het laagland Hodsi.
Ook kwamen zij in Dan-Jaän en in de omgeving van Sidon.
Zij kwamen bij de vesting Tyrus en bij alle steden van de Hevieten en Kanaänieten.
Tot slot kwamen zij in het zuiden van Juda, in Berseba.
Zo trokken zij door het hele land.
Na negen maanden en twintig dagen kwamen zij in Jeruzalem aan.
Joab gaf de koning de uitkomst van de volkstelling.
In Israël waren 800.000 strijdbare mannen die het zwaard konden hanteren, en in Juda 500.000 man.
De straf van de HEERE
Maar nadat David het volk had laten tellen, sloeg zijn geweten hem.
David zei tegen de HEERE: Ik heb zwaar gezondigd met wat ik gedaan heb.
Maar HEERE, neem nu toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb heel dwaas gehandeld.

Toen David de volgende morgen opstond, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Gad, de ziener van David:
Ga naar David en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Ik leg je drie dingen voor.
Kies er een van uit, dan zal ik dat met je doen.

Gad kwam bij David en vertelde het hem.
Hij zei tegen hem: Moet er zeven jaar hongersnood in uw land komen?
Of wilt u drie maanden voor uw vijanden vluchten terwijl zij u achtervolgen?
Of moet er drie dagen pest in uw land zijn?
Denk er nu over na.
Welk antwoord moet ik geven aan Hem Die mij gestuurd heeft?

David zei tegen Gad: Ik ben in grote nood.
Laten wij toch liever in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot.
Maar laat mij niet in de hand van mensen vallen.

Toen stuurde de HEERE een pest over Israël, vanaf de morgen tot de vastgestelde tijd.
Van Dan tot Berseba stierven 70.000 mensen van het volk.
Toen de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem om de stad te verwoesten, kreeg de HEERE spijt van het onheil.
Hij zei tegen de engel die het volk trof: Het is genoeg, trek je hand nu terug.
De engel van de HEERE was toen bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
Toen David de engel zag die het volk trof, zei hij tegen de HEERE: Kijk, ik heb gezondigd, ik heb verkeerd gedaan.
Maar wat hebben deze schapen gedaan?
Laat Uw hand toch tegen mij en mijn familie zijn.

Het altaar op de dorsvloer van Arauna
Diezelfde dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga een altaar voor de HEERE bouwen op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
Zo ging David op weg, zoals Gad gezegd had en zoals de HEERE geboden had.
Arauna keek uit en zag de koning en zijn dienaren naar hem toe komen.
Toen ging Arauna naar buiten en boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning.
Arauna vroeg: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar?
David zei: Om de dorsvloer van je te kopen.
Dan kan ik een altaar voor de HEERE bouwen, zodat de plaag onder het volk ophoudt.

Arauna zei tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat hij goed vindt.
Kijk, hier zijn de runderen voor het brandoffer.
De dorssleden en de jukken kunnen dienen als brandhout.

Dit alles gaf Arauna als een koning aan de koning.
Arauna zei tegen de koning: Laat de HEERE, uw God, u genadig aannemen!
Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het echt van je kopen voor de volle prijs.
Ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die mij niets kosten.

Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor ongeveer 550 gram zilver.
Daar bouwde David een altaar voor de HEERE en bracht brandoffers en dankoffers.
Toen verhoorde de HEERE de gebeden voor het land, en hield de plaag in Israël op.

Download hoofdstuk als tekstbestand