Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 21

De Gibeonieten; oorlogen met de Filistijnen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
De wraak van de Gibeonieten
In de tijd van David was er drie jaar achter elkaar hongersnood.
David zocht het aangezicht van de HEERE.
De HEERE zei: Het is vanwege Saul en zijn bloedschuldige familie, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.
Toen riep de koning de Gibeonieten om met hen te spreken.
De Gibeonieten hoorden niet bij de Israëlieten, maar waren een overblijfsel van de Amorieten.
De Israëlieten hadden hun een eed gezworen.
Toch had Saul geprobeerd hen uit te roeien in zijn ijver voor Israël en Juda.
David vroeg de Gibeonieten: Wat moet ik voor jullie doen?
Hoe kan ik het goedmaken, zodat jullie het erfdeel van de HEERE zegenen?

De Gibeonieten zeiden tegen hem: Het gaat ons niet om zilver of goud van Saul en zijn familie.
Ook hoeven wij niemand in Israël te doden.

Hij vroeg: Wat moet ik dan voor jullie doen?
Zij zeiden tegen de koning: Die man heeft ons uitgeroeid.
Hij was van plan ons te vernietigen, zodat wij nergens in het gebied van Israël meer zouden bestaan.

Laat men ons zeven van zijn zonen geven.
Dan zullen wij hen voor de HEERE ophangen in Gibea, de stad van Saul, u, de uitverkorene van de HEERE.

De koning zei: Ik zal hen geven.
Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul.
Dat deed hij vanwege de eed bij de HEERE tussen David en Jonathan, de zoon van Saul.
De koning nam de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij Saul gebaard had: Armoni en Mefiboseth.
Ook nam hij de vijf zonen van de zus van Michal, de dochter van Saul.
Die had zij gebaard aan Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet.
Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen op de berg voor de HEERE ophingen.
Zo kwamen die zeven samen om.
Zij werden gedood in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gersteoogst.
Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een rouwgewaad en spreidde dat voor zich uit op de rots.
Zo bleef zij daar vanaf het begin van de oogst tot er regen uit de hemel op hen viel.
Overdag liet zij de vogels niet op hen neerstrijken, en 's nachts de wilde dieren niet.
Aan David werd verteld wat Rizpa, de dochter van Aja, de bijvrouw van Saul, gedaan had.
Toen ging David de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan halen bij de burgers van Jabes in Gilead.
Die hadden ze weggehaald van het plein in Beth-san.
Daar hadden de Filistijnen hen opgehangen op de dag dat zij Saul bij de Gilboa versloegen.
Hij bracht de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan daarvandaan.
Ook verzamelde men de beenderen van de opgehangen mannen.
Zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin, in Zela, in het graf van zijn vader Kis.
Zij deden alles wat de koning had bevolen.
Daarna verhoorde God de gebeden voor het land.
Helden tegen de reuzen
De Filistijnen voerden opnieuw oorlog tegen Israël.
David trok met zijn dienaren ten strijde tegen de Filistijnen, en David raakte uitgeput.
Isbi-benob, een van de nakomelingen van Rafa, wilde David doden.
Zijn speer woog ongeveer 3 kilo koper, en hij was omgord met een nieuw zwaard.
Maar Abisai, de zoon van Zeruja, kwam David te hulp.
Hij versloeg de Filistijn en doodde hem.
Toen zwoeren de mannen van David: U mag niet meer met ons ten strijde trekken.
Anders dooft u de lamp van Israël uit.

Daarna was er opnieuw een oorlog met de Filistijnen, bij Gob.
Toen doodde Sibbechai, de Husathiet, Saf, een van de nakomelingen van Rafa.
Er was nog een oorlog bij Gob tegen de Filistijnen.
Daar versloeg Elhanan, de zoon van Jaare-oregim, Beth-halachmi, een metgezel van Goliath, de Gethiet.
De schacht van diens speer was als een weversboom.
Er was ook nog een oorlog in Gath.
Daar was een reusachtige man met zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet, 24 in totaal.
Ook hij was een nakomeling van Rafa.
Hij daagde Israël uit, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, doodde hem.
Deze vier waren nakomelingen van Rafa in Gath.
Zij vielen door de hand van David en zijn dienaren.

Download hoofdstuk als tekstbestand