Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Samuel 20
De opstand van Seba
Seba komt in opstand
Daar was toevallig een nietsnut die Seba heette, de zoon van Bichri, een Benjaminiet.
Hij blies op de bazuin en riep: Wij hebben geen deel aan David, geen erfdeel aan de zoon van Isaï!
Ieder naar zijn tent, Israël!
Hij blies op de bazuin en riep: Wij hebben geen deel aan David, geen erfdeel aan de zoon van Isaï!
Ieder naar zijn tent, Israël!
Toen verlieten alle mannen van Israël David en volgden Seba, de zoon van Bichri.
Maar de mannen van Juda bleven hun koning trouw, van de Jordaan tot Jeruzalem.
Maar de mannen van Juda bleven hun koning trouw, van de Jordaan tot Jeruzalem.
Toen David in zijn paleis in Jeruzalem kwam, nam de koning de tien bijvrouwen die hij had achtergelaten om op het paleis te passen.
Hij bracht hen onder in een bewaakt huis en onderhield hen, maar sliep niet meer met hen.
Zo bleven zij opgesloten tot de dag van hun dood, en leefden als weduwen.
Hij bracht hen onder in een bewaakt huis en onderhield hen, maar sliep niet meer met hen.
Zo bleven zij opgesloten tot de dag van hun dood, en leefden als weduwen.
Joab doodt Amasa
De koning zei tegen Amasa: Roep binnen drie dagen de mannen van Juda voor mij bijeen.
Kom dan zelf ook hier.
Kom dan zelf ook hier.
Amasa ging Juda bijeenroepen, maar hij bleef langer weg dan de tijd die de koning hem had gegeven.
Toen zei David tegen Abisai: Nu zal Seba, de zoon van Bichri, ons meer kwaad doen dan Absalom.
Neem de dienaren van je heer en achtervolg hem.
Anders vindt hij versterkte steden en ontsnapt hij aan ons.
Neem de dienaren van je heer en achtervolg hem.
Anders vindt hij versterkte steden en ontsnapt hij aan ons.
Toen trokken de mannen van Joab, de Krethi en Plethi en alle helden achter hem aan.
Zij vertrokken uit Jeruzalem om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen.
Zij vertrokken uit Jeruzalem om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen.
Toen zij bij de grote steen in Gibeon waren, kwam Amasa hen tegemoet.
Joab droeg zijn soldatenkleed met een gordel erover.
Aan die gordel hing een zwaard in de schede op zijn heup.
Toen hij naar voren liep, viel het eruit.
Joab droeg zijn soldatenkleed met een gordel erover.
Aan die gordel hing een zwaard in de schede op zijn heup.
Toen hij naar voren liep, viel het eruit.
Joab vroeg Amasa: Gaat het goed met je, mijn broer?
En Joab greep Amasa met zijn rechterhand bij de baard om hem te kussen.
En Joab greep Amasa met zijn rechterhand bij de baard om hem te kussen.
Amasa lette niet op het zwaard in de hand van Joab.
Joab stak hem ermee bij de vijfde rib, zodat zijn ingewanden op de grond vielen.
Een tweede stoot was niet nodig, en hij stierf.
Toen achtervolgden Joab en zijn broer Abisai Seba, de zoon van Bichri.
Joab stak hem ermee bij de vijfde rib, zodat zijn ingewanden op de grond vielen.
Een tweede stoot was niet nodig, en hij stierf.
Toen achtervolgden Joab en zijn broer Abisai Seba, de zoon van Bichri.
Een van de jonge mannen van Joab bleef bij Amasa staan en riep: Wie voor Joab is en wie voor David is, volge Joab!
Amasa lag badend in zijn bloed midden op de weg.
De man zag dat al het volk bleef staan.
Daarom sleepte hij Amasa van de weg het veld in en gooide een kleed over hem.
Want hij zag dat iedereen die bij hem kwam, bleef staan.
De man zag dat al het volk bleef staan.
Daarom sleepte hij Amasa van de weg het veld in en gooide een kleed over hem.
Want hij zag dat iedereen die bij hem kwam, bleef staan.
Toen hij van de weg was weggehaald, trok iedereen verder achter Joab aan om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen.
De wijze vrouw van Abel
Seba trok door alle stammen van Israël naar Abel-Beth-Maächa en door heel Berim.
Zij verzamelden zich en volgden hem.
Zij verzamelden zich en volgden hem.
Zij kwamen en belegerden hem in Abel-Beth-Maächa.
Zij wierpen een wal op tegen de stad, die tot aan de buitenmuur reikte.
Al het volk bij Joab probeerde de muur te ondermijnen om hem te laten instorten.
Zij wierpen een wal op tegen de stad, die tot aan de buitenmuur reikte.
Al het volk bij Joab probeerde de muur te ondermijnen om hem te laten instorten.
Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Luister, luister!
Zeg toch tegen Joab: Kom hierheen, dan kan ik met u spreken.
Zeg toch tegen Joab: Kom hierheen, dan kan ik met u spreken.
Toen hij naar haar toe kwam, vroeg de vrouw: Bent u Joab?
Hij zei: Ja, dat ben ik.
Zij zei tegen hem: Luister naar de woorden van uw dienares.
Hij zei: Ik luister.
Hij zei: Ja, dat ben ik.
Zij zei tegen hem: Luister naar de woorden van uw dienares.
Hij zei: Ik luister.
Zij zei: Vroeger zei men altijd: Vraag het maar in Abel.
En zo werd de zaak afgehandeld.
En zo werd de zaak afgehandeld.
Ik ben een van de vreedzamen en trouwen in Israël.
Maar u wilt een stad doden die een moeder in Israël is.
Waarom wilt u het erfdeel van de HEERE verslinden?
Maar u wilt een stad doden die een moeder in Israël is.
Waarom wilt u het erfdeel van de HEERE verslinden?
Joab antwoordde: Het zij verre, het zij verre van mij dat ik zou verslinden of verwoesten!
Zo is het niet.
Maar een man uit het bergland van Efraïm, Seba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen koning David.
Lever alleen hem uit, dan trek ik weg van de stad.
De vrouw zei tegen Joab: Kijk, zijn hoofd zal over de muur naar u gegooid worden.
Maar een man uit het bergland van Efraïm, Seba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen koning David.
Lever alleen hem uit, dan trek ik weg van de stad.
De vrouw zei tegen Joab: Kijk, zijn hoofd zal over de muur naar u gegooid worden.
De vrouw ging met haar wijze raad naar al het volk.
Zij hakten het hoofd van Seba, de zoon van Bichri, af en gooiden het naar Joab.
Toen blies hij op de bazuin, en zij trokken weg van de stad, ieder naar zijn tent.
Joab ging terug naar de koning in Jeruzalem.
Zij hakten het hoofd van Seba, de zoon van Bichri, af en gooiden het naar Joab.
Toen blies hij op de bazuin, en zij trokken weg van de stad, ieder naar zijn tent.
Joab ging terug naar de koning in Jeruzalem.
De dienaren van David
Joab stond over het hele leger van Israël.
Benaja, de zoon van Jojada, stond over de Krethi en de Plethi.
Benaja, de zoon van Jojada, stond over de Krethi en de Plethi.
Adoram stond over de dwangarbeid, en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
Seja was schrijver, en Zadok en Abjathar waren priesters.
Ook Ira, de Jaïriet, was een hoge dienaar van David.