Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 18

De dood van Absalom

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
De strijd in het woud van Efraïm
David monsterde het volk dat bij hem was.
Hij stelde bevelhebbers over hen aan, over duizend en over honderd man.
David stuurde het volk erop uit in drie delen.
Een derde stond onder bevel van Joab, een derde onder Abisai, de broer van Joab, en een derde onder Ithai, de Gethiet.
De koning zei tegen het volk: Ik ga zelf ook met jullie mee.
Maar het volk zei: U moet niet meegaan.
Als wij vluchten, trekken zij zich niets van ons aan.
Ook als de helft van ons sterft, trekken zij zich niets van ons aan.
Maar u bent evenveel waard als 10.000 van ons.
Daarom is het beter dat u ons vanuit de stad te hulp komt.

De koning zei tegen hen: Ik zal doen wat jullie goed vinden.
De koning ging naast de poort staan, en het hele volk trok uit in groepen van honderd en duizend.
De koning gaf Joab, Abisai en Ithai het bevel: Ga voor mij zacht om met de jonge Absalom.
Het hele volk hoorde dat de koning alle bevelhebbers dit bevel over Absalom gaf.
Zo trok het volk het veld in, Israël tegemoet.
De strijd vond plaats in het woud van Efraïm.
Daar werd het leger van Israël door de dienaren van David verslagen.
Die dag was er een grote slachting: 20.000 man.
De strijd breidde zich uit over het hele gebied.
Het woud eiste die dag meer slachtoffers dan het zwaard.
Absalom kwam de dienaren van David tegen.
Hij reed op een muildier.
Toen het muildier onder de dichte takken van een grote eik door liep, raakte zijn hoofd klem in de eik.
Zo bleef hij tussen hemel en aarde hangen, en het muildier onder hem liep door.
Iemand zag het en vertelde het aan Joab: Kijk, ik heb Absalom in een eik zien hangen.
Joab zei tegen de man die het hem vertelde: Je hebt het gezien!
Waarom heb je hem daar dan niet neergeslagen?
Dan had ik je tien zilverstukken en een gordel gegeven.

Maar de man zei tegen Joab: Ook al kreeg ik duizend zilverstukken in handen, dan nog raakte ik de zoon van de koning niet aan.
Want de koning heeft ons horen zeggen dat u, Abisai en Ithai op de jonge Absalom moeten passen.

Als ik trouweloos zijn leven had genomen, zou dat voor de koning niet verborgen blijven.
En dan zou u zelf afstand van mij nemen.

Joab zei: Ik verspil hier mijn tijd niet met jou.
Hij nam drie speren en stak die in het hart van Absalom, terwijl hij nog levend in de eik hing.
Tien jonge mannen, wapendragers van Joab, omsingelden Absalom, sloegen hem en doodden hem.
Toen blies Joab op de bazuin, en het volk hield op Israël te achtervolgen.
Want Joab hield het volk tegen.
Zij namen Absalom en gooiden hem in een grote kuil in het woud.
Zij legden er een zeer grote steenhoop op.
Heel Israël vluchtte, ieder naar zijn tent.
Absalom had tijdens zijn leven voor zichzelf een gedenkteken opgericht in het Koningsdal.
Want hij zei: Ik heb geen zoon die mijn naam in herinnering houdt.
Hij had het gedenkteken naar zichzelf genoemd.
Tot vandaag heet het de Hand van Absalom.
David hoort het nieuws
Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei: Laat mij toch naar de koning rennen met het goede nieuws.
De HEERE heeft hem recht gedaan tegenover zijn vijanden.

Maar Joab zei tegen hem: Vandaag breng jij geen bericht.
Op een andere dag mag je een bericht brengen, maar vandaag niet.
Want de zoon van de koning is dood.

Joab zei tegen de Cuschiet: Ga de koning vertellen wat je gezien hebt.
De Cuschiet boog zich voor Joab en rende weg.
Maar Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei nog eens tegen Joab: Wat er ook gebeurt, laat mij ook achter de Cuschiet aan rennen.
Joab zei: Waarom wil je rennen, mijn zoon?
Je krijgt er geen beloning voor.

Hij zei: Wat er ook gebeurt, laat mij rennen.
Toen zei Joab tegen hem: Ren dan.
Ahimaäz rende over de weg door de vlakte en haalde de Cuschiet in.
David zat tussen de twee poorten.
De wachter ging op het dak van de poort bij de muur.
Hij keek op en zag een man die alleen aan kwam rennen.
De wachter riep het naar de koning.
De koning zei: Als hij alleen is, heeft hij een bericht.
De man kwam steeds dichterbij.
Toen zag de wachter nog een man rennen.
De wachter riep naar de poortwachter: Kijk, daar komt nog een man alleen aan rennen.
De koning zei: Die brengt ook een bericht.
De wachter zei: Ik zie aan de manier van lopen dat de eerste Ahimaäz is, de zoon van Zadok.
De koning zei: Dat is een goed man.
Hij komt met goed nieuws.

Ahimaäz riep de koning toe: Vrede!
Hij boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning.
Hij zei: Geloofd zij de HEERE, uw God!
Hij heeft de mannen uitgeleverd die hun hand ophieven tegen mijn heer de koning.

De koning vroeg: Is alles goed met de jonge Absalom?
Ahimaäz zei: Ik zag een groot tumult toen Joab, de dienaar van de koning, mij, uw dienaar, wegstuurde.
Maar ik weet niet wat het was.

De koning zei: Ga opzij staan en wacht hier.
Hij ging opzij en bleef staan.
Toen kwam de Cuschiet aan.
De Cuschiet zei: Goed nieuws voor mijn heer de koning!
Want de HEERE heeft u vandaag recht gedaan tegenover allen die tegen u opstonden.

De koning vroeg de Cuschiet: Is alles goed met de jonge Absalom?
De Cuschiet zei: Laat het de vijanden van mijn heer de koning vergaan zoals die jonge man!
Zo moet het allen vergaan die tegen u opstaan om u kwaad te doen.

Toen was de koning diep geschokt.
Hij ging naar de kamer boven de poort en huilde.
Terwijl hij liep, zei hij: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom!
Was ik maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

Download hoofdstuk als tekstbestand