Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Ethiopische boeken
2 Meqabyan 15
De dag van het oordeel
Hun eigen werken zullen hen oordelen
En wie volgehouden hebben in hun goede werken, zullen zich dan verheugen.
Maar wie traag geweest zijn en gezegd hebben: De doden staan niet op — die zullen dan verdriet hebben, wanneer zij zien dat zij opgestaan zijn uit de doden met hun slechte werken waar niemand iets aan heeft.
Maar wie traag geweest zijn en gezegd hebben: De doden staan niet op — die zullen dan verdriet hebben, wanneer zij zien dat zij opgestaan zijn uit de doden met hun slechte werken waar niemand iets aan heeft.
En hun eigen werken die zij gedaan hebben, zullen hen oordelen, terwijl er niemand is die hen aanklaagt.
Zij zullen zelf weten hoe zij geoordeeld worden.
Zij zullen zelf weten hoe zij geoordeeld worden.
En zij zullen staan op de plaats van de goddelozen, op de dag van het huilen en het oordeel, op de dag van het gericht en op de dag van God,
op de dag van de duisternis, op de dag van het onweer, op de dag van de nevel, op de dag van de stormwind, op de dag van de bliksem,
op de dag van de angst en het beven, op de dag van donder en gedreun, op de dag van de gesel,
Op die dag telt geen aanzien
op de dag dat wie kwaad deed vergolden wordt naar het kwaad dat hij gedaan heeft, en wie zuiver was naar wat hij zuiver gedaan heeft, en wie verkeerd deed naar wat hij verkeerd gedaan heeft,
en wanneer de heer niet meer geëerd zal worden dan de knecht, en de meesteres niet meer dan de dienares,
en wanneer de koning niet meer geëerd zal worden dan de arme, en de vorst niet meer dan het kind, en de vader niet meer dan zijn zoon, en de moeder niet meer dan haar dochter,
en wanneer de rijke niet meer geëerd zal worden dan wie tekortkomt, en de hoogmoedige niet meer dan de nederige, en de grote niet meer dan de kleine.
Want het is de dag van het gericht, de dag van de vergelding en het oordeel, en de dag waarop ieder vergolden wordt naar wat hij gedaan heeft.
Want het is de dag van het gericht, de dag van de vergelding en het oordeel, en de dag waarop ieder vergolden wordt naar wat hij gedaan heeft.
En het is de dag waarop wie het goede doen beloond worden, en waarop wie het kwade deden met het kwade vergolden worden.
En het is de dag waarop wie met het goede beloond worden zich verheugen, en de dag waarop wie met het kwade vergolden worden treuren.
En wie de Schriften verloochend hebben en gezegd hebben: De doden staan niet op — zij zullen het zien.
En wie de Schriften verloochend hebben en gezegd hebben: De doden staan niet op — zij zullen het zien.
Vreugde die niet vergaat
Dan zullen alle zondaars van de aarde huilen om hun zonden die zij gedaan hebben, om het verdriet dat hen getroffen heeft en dat geen troost kent, omdat zij op de aarde geen goed gedaan hebben.
En zo zal bij de goeden, die het goede gedaan hebben, hun blijdschap niet vergaan, tot in alle eeuwigheid, omdat zij, toen zij op de aarde waren, volgehouden hebben in het doen van goed.
En zij zijn niet afgeweken van het gebod van hun Schepper, want zij wisten dat zij uit de doden zullen opstaan.
En omdat zij niet van Zijn gebod afgeweken zijn, zullen zij erven.
En ook in de hemel liet Hij hen het land van het leven erven, dat Hij hun vaderen gezworen had, op de dag van de opstanding, wanneer de rijken arm worden.
En wie het kwade doen, zullen jammeren: zij die de opstanding van de doden en de wet van God niet geloofden en die niet aan de dag van de opstanding dachten.
Dan zullen zij het kwaad zien dat hen overkomt, dat geen einde kent en geen genezing en geen troost.
En in hun hart ook verdriet dat geen troost kent en geen rust,
En in hun hart ook verdriet dat geen troost kent en geen rust,
en de worm die niet slaapt, en het vuur dat niet gedoofd wordt.
En buiten hun lichaam ook vuur en pek, en wervelwind en storm en hagel en gedreun, dat op hen neerregent:
een ketel van vuur voor wie de opstanding van de doden niet geloven.