Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Kronieken 36
Het einde van Juda en het bevel van Kores
De laatste koningen van Juda
Het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, en maakte hem in Jeruzalem koning in de plaats van zijn vader.
Joahaz was drieëntwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem.
De koning van Egypte zette hem in Jeruzalem af.
Hij legde het land een boete op van ongeveer 3,4 ton zilver en 34 kilo goud.
Hij legde het land een boete op van ongeveer 3,4 ton zilver en 34 kilo goud.
De koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en veranderde zijn naam in Jojakim.
Zijn broer Joahaz nam Necho mee naar Egypte.
Zijn broer Joahaz nam Necho mee naar Egypte.
Jojakim was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God.
Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op.
Hij boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren.
Hij boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren.
Nebukadnezar bracht ook voorwerpen uit het huis van de HEERE naar Babel en zette die in zijn tempel daar.
De verdere geschiedenis van Jojakim staat in het boek van de koningen van Israël en Juda.
Daar staan ook de gruwelijke dingen die hij deed en wat hem aangerekend werd.
Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.
Daar staan ook de gruwelijke dingen die hij deed en wat hem aangerekend werd.
Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.
Jojachin was acht jaar toen hij koning werd.
Hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem en deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.
Hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem en deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.
Bij de jaarwisseling liet koning Nebukadnezar hem naar Babel halen, met de kostbare voorwerpen uit het huis van de HEERE.
Hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
Hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
Zedekia was eenentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God.
Hij vernederde zich niet voor de profeet Jeremia, die namens de HEERE sprak.
Hij vernederde zich niet voor de profeet Jeremia, die namens de HEERE sprak.
Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem bij God had laten zweren.
Hij was koppig en verhardde zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.
Hij was koppig en verhardde zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.
Ook alle leiders van de priesters en het volk werden steeds ontrouwer, naar alle gruwelijke gewoonten van de volken.
Zij maakten het huis van de HEERE onrein, dat Hij in Jeruzalem geheiligd had.
Zij maakten het huis van de HEERE onrein, dat Hij in Jeruzalem geheiligd had.
De val van Jeruzalem
De HEERE, de God van hun voorouders, stuurde telkens opnieuw zijn boden naar hen toe, want Hij wilde zijn volk en zijn woning sparen.
Maar zij lachten de boden van God uit, verachtten zijn woorden en spotten met zijn profeten.
Toen werd de woede van de HEERE tegen zijn volk zo groot dat er geen herstel meer mogelijk was.
Toen werd de woede van de HEERE tegen zijn volk zo groot dat er geen herstel meer mogelijk was.
Hij liet de koning van de Chaldeeën tegen hen opkomen.
Die doodde hun jongemannen met het zwaard in hun heiligdom.
Hij spaarde jongemannen noch meisjes, ouderen noch grijsaards.
God gaf hen allemaal in zijn macht.
Die doodde hun jongemannen met het zwaard in hun heiligdom.
Hij spaarde jongemannen noch meisjes, ouderen noch grijsaards.
God gaf hen allemaal in zijn macht.
Alle voorwerpen uit het huis van God, groot en klein, voerde hij naar Babel.
Hetzelfde deed hij met de schatten van het huis van de HEERE en met die van de koning en zijn leiders.
Hetzelfde deed hij met de schatten van het huis van de HEERE en met die van de koning en zijn leiders.
Zij verbrandden het huis van God, braken de muur van Jeruzalem af en staken alle paleizen in brand.
Alle kostbare voorwerpen daarin vernielden zij.
Alle kostbare voorwerpen daarin vernielden zij.
Wie aan het zwaard ontkomen was, voerde hij weg naar Babel.
Daar waren zij slaven van hem en zijn zonen, tot het koninkrijk Perzië aan de macht kwam.
Daar waren zij slaven van hem en zijn zonen, tot het koninkrijk Perzië aan de macht kwam.
Zo ging het woord in vervulling dat de HEERE door Jeremia gesproken had.
Het land kreeg zijn sabbatsjaren terug: al die tijd van verwoesting lag het braak, tot de zeventig jaar om waren.
Het land kreeg zijn sabbatsjaren terug: al die tijd van verwoesting lag het braak, tot de zeventig jaar om waren.
Het bevel van Kores
In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, ging het woord van de HEERE door Jeremia in vervulling.
De HEERE maakte de geest van Kores wakker.
Die liet in zijn hele koninkrijk omroepen, en ook op schrift zetten:
De HEERE maakte de geest van Kores wakker.
Die liet in zijn hele koninkrijk omroepen, en ook op schrift zetten:
Kores, de koning van Perzië, zegt: de HEERE, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven.
Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, in Juda.
Wie van u hoort bij zijn volk?
De HEERE, zijn God, zij met hem.
Laat hij optrekken.
Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, in Juda.
Wie van u hoort bij zijn volk?
De HEERE, zijn God, zij met hem.
Laat hij optrekken.