Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Kronieken 34

Josia en het gevonden wetboek

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Josia reinigt het land
Josia was acht jaar toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem.
Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE.
Hij ging de wegen van zijn voorvader David en week daar niet van af, niet naar rechts en niet naar links.
In het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn voorvader David te zoeken.
In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de offerhoogten, de gewijde palen en de beelden.
Onder zijn ogen braken zij de altaren van de Baäls af.
De wierookaltaren die daarboven stonden, hakte hij om.
De gewijde palen en de beelden sloeg hij stuk en maakte hij tot gruis, dat hij uitstrooide over de graven van wie eraan geofferd hadden.
De botten van de priesters verbrandde hij op hun altaren.
Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem.
Ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, tot in Nafthali toe, en in de verwoeste plaatsen eromheen deed hij dat.
Hij brak de altaren en de gewijde palen af en vergruisde de beelden.
Alle wierookaltaren hakte hij om, in heel het land Israël.
Daarna ging hij terug naar Jeruzalem.
Het herstel van de tempel
In het achttiende jaar van zijn regering waren het land en het huis gereinigd.
Toen stuurde hij Safan, de zoon van Azalia, en Maäseja, de bestuurder van de stad.
Ook stuurde hij Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier.
Zij moesten het huis van de HEERE, zijn God, herstellen.
Zij kwamen bij Hilkia, de hogepriester, en gaven hem het geld dat in het huis van God gebracht was.
De Levieten die de drempel bewaakten, hadden dat ingezameld bij Manasse en Efraïm en bij de rest van Israël.
Ook uit heel Juda en Benjamin en van de teruggekeerden in Jeruzalem was er geld gekomen.
Zij gaven het aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE.
Die gaven het door aan de mannen die aan het huis van de HEERE werkten om het op te knappen en te herstellen.
Zij gaven het aan de vaklieden en de bouwers om gehouwen stenen te kopen.
Ook kochten zij er hout van voor de verbindingen en voor de zolderingen van de gebouwen die de koningen van Juda hadden laten vervallen.
Die mannen deden hun werk trouw.
Hun opzichters waren Jahath en Obadja, Levieten uit de zonen van Merari, en Zecharja en Mesullam uit de Kahathieten.
Zij moesten het werk vooruit helpen.
Al die Levieten hadden ook verstand van muziekinstrumenten.
Zij gingen ook over de dragers en gaven leiding aan iedereen die werkte.
Andere Levieten waren schrijver, ambtenaar of poortwachter.
Het wetboek wordt gevonden
Toen zij het geld uit het huis van de HEERE haalden, vond de priester Hilkia het wetboek van de HEERE, dat door Mozes gegeven was.
Hilkia zei tegen Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden.
En Hilkia gaf hem dat boek.
Safan bracht het boek naar de koning.
Hij deed hem ook verslag: Alles wat aan uw dienaren opgedragen is, doen zij.
Zij hebben het geld dat in het huis van de HEERE lag, bij elkaar gedaan.
Zij hebben het aan de opzichters en aan de werklieden gegeven.

Verder vertelde Safan, de schrijver, aan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven.
En Safan las daaruit voor aan de koning.
Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren.
De koning gaf Hilkia opdracht, en ook Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha.
Verder gaf hij opdracht aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning.
Hij zei:
Ga de HEERE raadplegen voor mij en voor wie er nog over zijn in Israël en Juda.
Doe dat over de woorden van dit boek dat gevonden is.
De woede van de HEERE die over ons is uitgestort, is groot.
Onze voorouders hebben zich namelijk niet aan het woord van de HEERE gehouden en niet gedaan wat in dit boek staat.

Het antwoord van Hulda
Toen ging Hilkia met de mannen van de koning naar de profetes Hulda.
Zij was de vrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de beheerder van de kleren.
Zij woonde in de nieuwe wijk van Jeruzalem, en zij spraken daar met haar.
Zij zei tegen hen: De HEERE, de God van Israël, zegt het volgende.
Zeg tegen de man die u naar mij toe gestuurd heeft:
De HEERE zegt: kijk, ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners.
Dat zijn alle vervloekingen die staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen.

Zij hebben mij verlaten en aan andere goden geofferd.
Zo hebben zij mij met al hun daden woedend gemaakt.
Daarom wordt mijn woede over deze plaats uitgestort, en die zal niet gedoofd worden.

Maar tegen de koning van Juda, die u stuurde om de HEERE te raadplegen, moet u dit zeggen.
De HEERE, de God van Israël, zegt over de woorden die je gehoord hebt:
Je hart is week geworden en je hebt je voor God vernederd toen je zijn woorden tegen deze plaats en haar inwoners hoorde.
Je hebt je voor mij vernederd, je kleren gescheurd en voor mij gehuild.
Daarom heb ik je gehoord, zegt de HEERE.

Kijk, ik zal je bij je voorouders brengen, en je zult in vrede in je graf komen.
Je ogen zullen al het onheil niet zien dat ik over deze plaats en haar inwoners breng.

Zij brachten dit antwoord bij de koning.
Het verbond van Josia
Toen liet de koning alle oudsten van Juda en Jeruzalem bijeenroepen.
De koning ging naar het huis van de HEERE, met alle mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.
Ook de priesters, de Levieten en het hele volk gingen mee, van groot tot klein.
Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van de HEERE gevonden was.
De koning ging op zijn plaats staan en sloot een verbond voor de HEERE.
Hij zou de HEERE volgen en zich met heel zijn hart en heel zijn ziel houden aan zijn geboden, getuigenissen en voorschriften.
Zo zou hij doen wat in dat boek over het verbond geschreven staat.
Hij liet iedereen in Jeruzalem en Benjamin daarachter gaan staan.
De inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun voorouders.
Josia haalde alle gruwelijke dingen weg uit alle gebieden van de Israëlieten.
Hij liet iedereen in Israël de HEERE, hun God, dienen.
Zolang hij leefde, weken zij niet af van de HEERE, de God van hun voorouders.

Download hoofdstuk als tekstbestand