Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Kronieken 18

Micha profeteert tegen Achab

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Josafat gaat met Achab mee
Josafat had veel rijkdom en eer.
Door een huwelijk werd hij familie van Achab.
Een paar jaar later ging hij naar Achab in Samaria.
Achab slachtte veel schapen en runderen voor hem en voor zijn gevolg.
Hij haalde hem over om samen tegen Ramoth in Gilead op te trekken.
Achab, de koning van Israël, vroeg aan Josafat, de koning van Juda: Gaat u met mij mee naar Ramoth in Gilead?
Josafat antwoordde: Ik ben als u, en mijn volk is als uw volk.
Wij gaan met u mee in deze strijd.
Josafat zei verder tegen de koning van Israël: Vraag vandaag toch eerst naar het woord van de HEERE.
Vierhonderd profeten
Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, vierhonderd man.
Hij vroeg hun: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het laten?
Zij zeiden: Trek op, want God zal hen aan de koning overgeven.
Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van de HEERE aan wie wij het kunnen vragen?
De koning van Israël antwoordde Josafat: Er is nog één man door wie wij de HEERE kunnen vragen.
Maar ik haat hem, want hij profeteert nooit iets goeds over mij, altijd onheil.
Het is Micha, de zoon van Jimla.

Josafat zei: Zo moet de koning niet praten.
Toen riep de koning van Israël een hofbeambte en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.
De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op hun troon, in vol ornaat.
Zij zaten op het plein bij de ingang van de poort van Samaria, en alle profeten profeteerden voor hun ogen.
Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens gemaakt.
Hij zei: De HEERE zegt: hiermee zult u de Syriërs neerstoten tot zij vernietigd zijn.
Alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead, en het zal u lukken.
De HEERE zal hen aan de koning overgeven.

Micha spreekt de waarheid
De bode die Micha ging halen, zei tegen hem: Kijk, de profeten voorspellen als uit één mond iets goeds voor de koning.
Laat uw woord zijn zoals dat van hen en spreek iets goeds.

Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, ik zal zeggen wat mijn God zegt.
Toen hij bij de koning kwam, vroeg die hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het laten?
Hij zei: Trek op, en het zal u lukken.
Zij zullen aan u overgegeven worden.

De koning zei tegen hem: Hoe vaak moet ik u bezweren dat u mij in de naam van de HEERE alleen de waarheid vertelt?
Hij zei: Ik zag heel Israël verspreid op de bergen, als schapen zonder herder.
En de HEERE zei: Zij hebben geen heer.
Laat ieder in vrede naar huis gaan.

Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik het u niet gezegd?
Hij profeteert over mij niets goeds, alleen onheil.

Micha zei verder: Luister dan naar het woord van de HEERE.
Ik zag de HEERE op zijn troon zitten, met het hele hemelse leger rechts en links van Hem.

De HEERE zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overhalen om op te trekken en te sneuvelen bij Ramoth in Gilead?
De een zei dit en de ander dat.

Toen kwam er een geest naar voren, die voor de HEERE ging staan en zei: Ik zal hem overhalen.
De HEERE vroeg hem: Waarmee?

Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten.
De HEERE zei: Je zult hem overhalen en het ook voor elkaar krijgen.
Ga eropuit en doe het.

Kijk dus, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gelegd.
De HEERE heeft onheil over u uitgesproken.

Micha wordt opgesloten
Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren.
Hij sloeg Micha in het gezicht en zei: Langs welke weg is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om met u te spreken?
Micha zei: Dat zult u zien op de dag dat u van kamer naar kamer vlucht om u te verstoppen.
De koning van Israël zei: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de bestuurder van de stad.
Breng hem ook bij Joas, de zoon van de koning.

Zeg tegen hen: de koning zegt: zet deze man in de gevangenis.
Geef hem alleen wat brood en water tot ik in vrede terugkom.

Micha zei: Als u echt in vrede terugkomt, heeft de HEERE niet door mij gesproken.
En hij zei: Luister, alle volken!
De slag bij Ramoth in Gilead
Zo trokken de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
De koning van Israël zei tegen Josafat: Ik ga vermomd de strijd in, maar trekt u uw eigen kleren aan.
De koning van Israël vermomde zich, en zij gingen de strijd in.
De koning van Syrië had zijn wagenaanvoerders bevolen: Vecht niet tegen klein of groot, maar alleen tegen de koning van Israël.
Toen de wagenaanvoerders Josafat zagen, dachten zij: Dat is de koning van Israël.
Zij omsingelden hem om te vechten.
Maar Josafat riep het uit, en de HEERE hielp hem.
God lokte hen bij hem weg.
De wagenaanvoerders zagen dat hij de koning van Israël niet was.
Daarom lieten zij hem met rust.
Toen spande een man zomaar zijn boog.
Hij trof de koning van Israël tussen de delen van zijn pantser.
De koning zei tegen zijn wagenmenner: Keer om en breng mij uit het leger, want ik ben gewond.
Die dag werd de strijd steeds heviger.
De koning van Israël hield zich in zijn wagen overeind tegenover de Syriërs, tot de avond.
Bij zonsondergang stierf hij.

Download hoofdstuk als tekstbestand