Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Koningen 4

Wonderen van Elisa

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 8 minuten
De olie van de weduwe
De vrouw van een van de profetenleerlingen riep Elisa om hulp.
Zij zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven.
U weet dat uw dienaar ontzag had voor de HEERE.
Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee zonen als slaven mee te nemen.

Elisa vroeg haar: Wat kan ik voor je doen?
Vertel eens, wat heb je in huis?

Zij antwoordde: Uw dienares heeft niets meer in huis, alleen een kruik olie.
Hij zei: Ga lege potten lenen bij al je buren.
Leen er zoveel mogelijk, niet te weinig.

Ga dan naar binnen en sluit de deur achter je en je zonen.
Giet olie in al die potten, en zet elke volle pot apart.

Zij ging bij hem weg en sloot de deur achter zich en haar zonen.
Haar zonen brachten haar de potten, en zij goot ze vol.
Toen alle potten vol waren, zei zij tegen haar zoon: Breng mij nog een pot.
Maar hij zei: Er is geen pot meer.
Toen hield de olie op met stromen.
Zij ging het aan de man van God vertellen.
Hij zei: Ga de olie verkopen en betaal je schuld.
Van wat overblijft, kun je met je zonen leven.

De vrouw uit Sunem
Op een dag kwam Elisa door Sunem.
Daar woonde een voorname vrouw, die erop aandrong dat hij bij haar kwam eten.
Daarna ging hij er elke keer dat hij langskwam naar binnen om te eten.
Zij zei tegen haar man: Ik weet zeker dat de man die hier steeds langskomt, een heilige man van God is.
Laten wij op het dak een kleine kamer met muren bouwen.
Daar zetten wij een bed, een tafel, een stoel en een lamp voor hem neer.
Als hij bij ons komt, kan hij daar verblijven.

Op een dag kwam hij daar weer.
Hij ging naar die bovenkamer en ging er liggen.
Hij zei tegen Gehazi, zijn knecht: Roep die vrouw uit Sunem.
Gehazi riep haar, en zij kwam bij hem staan.
Elisa had tegen Gehazi gezegd: Zeg tegen haar: Je hebt al die moeite voor ons gedaan.
Wat kan ik voor je doen?
Moet ik een goed woord voor je doen bij de koning of bij de legeraanvoerder?

Maar zij zei: Ik woon hier gewoon tussen mijn eigen volk.
Hij vroeg: Wat kan ik dan voor haar doen?
Gehazi antwoordde: Zij heeft geen zoon, en haar man is oud.
Hij zei: Roep haar.
Gehazi riep haar, en zij bleef in de deuropening staan.
Elisa zei: Volgend jaar rond deze tijd zul je een zoon in je armen houden.
Maar zij zei: Nee, mijn heer, man van God, lieg toch niet tegen uw dienares!
De vrouw werd zwanger.
Het jaar daarop, rond dezelfde tijd, kreeg zij een zoon, zoals Elisa haar gezegd had.
Elisa wekt haar zoon op
Het kind groeide op.
Op een dag ging het naar zijn vader, die bij de maaiers was.
Het zei tegen zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd!
De vader zei tegen een knecht: Breng hem naar zijn moeder.
De knecht nam hem op en bracht hem naar zijn moeder.
Het kind zat tot de middag op haar schoot.
Toen stierf het.
Zij ging naar boven en legde het op het bed van de man van God.
Zij sloot de deur en ging naar buiten.
Zij riep haar man en zei: Stuur mij toch een van de knechten en een ezelin.
Ik wil snel naar de man van God, en dan kom ik terug.

Hij vroeg: Waarom ga je vandaag naar hem toe?
Het is geen nieuwe maan en geen sabbat.

Zij zei: Het is goed.
Zij zadelde de ezelin en zei tegen haar knecht: Rijd door en ga snel verder.
Houd niet in, tenzij ik het je zeg.

Zo ging zij op weg en kwam bij de man van God op de berg Karmel.
Toen de man van God haar in de verte zag, zei hij tegen Gehazi, zijn knecht: Kijk, daar is de vrouw uit Sunem.
Loop haar snel tegemoet en vraag haar: Gaat het goed met je?
Gaat het goed met je man?
Gaat het goed met je kind?

Zij zei: Het gaat goed.
Toen zij bij de man van God op de berg kwam, greep zij zijn voeten vast.
Gehazi kwam naar voren om haar weg te duwen.
Maar de man van God zei: Laat haar.
Zij is diep bedroefd.
De HEERE heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet verteld.

Zij zei: Heb ik mijn heer soms om een zoon gevraagd?
Heb ik niet gezegd: Maak mij geen valse hoop?

Hij zei tegen Gehazi: Maak je klaar, neem mijn staf mee en ga.
Als je iemand tegenkomt, groet hem niet.
Als iemand jou groet, antwoord hem niet.
Leg mijn staf op het gezicht van de jongen.

Maar de moeder van de jongen zei: Zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: ik ga niet zonder u weg!
Toen stond hij op en ging met haar mee.
Gehazi was hen vooruitgegaan en had de staf op het gezicht van de jongen gelegd.
Maar er kwam geen geluid en geen teken van leven.
Hij ging Elisa tegemoet en vertelde hem: De jongen is niet wakker geworden.
Toen Elisa in het huis kwam, lag de jongen dood op zijn bed.
Hij ging naar binnen, sloot de deur achter hen beiden en bad tot de HEERE.
Hij klom op het bed en ging op het kind liggen.
Hij legde zijn mond op de mond van het kind, zijn ogen op zijn ogen en zijn handen op zijn handen.
Zo strekte hij zich over hem uit, en het lichaam van het kind werd warm.
Daarna stond hij op en liep in het huis heen en weer.
Hij klom weer op het bed en strekte zich opnieuw over hem uit.
Toen niesde de jongen zeven keer en deed zijn ogen open.
Hij riep Gehazi en zei: Roep de vrouw uit Sunem.
Gehazi riep haar, en zij kwam bij hem.
Hij zei: Neem je zoon maar mee.
Zij kwam binnen, viel aan zijn voeten neer en boog zich tot de grond.
Toen nam zij haar zoon op en ging naar buiten.
De dood in de pot
Elisa kwam terug in Gilgal.
Er was hongersnood in het land, en de profetenleerlingen zaten bij hem.
Hij zei tegen zijn knecht: Zet de grote pot op het vuur en kook soep voor de profetenleerlingen.
Een van hen ging het veld in om groente te plukken.
Hij vond een wilde rank en plukte er wilde kalebassen van, zijn hele kleed vol.
Toen hij terugkwam, sneed hij ze in de soeppot, want niemand kende ze.
Zij schepten de soep op voor de mannen.
Maar toen zij ervan aten, riepen zij: Man van God, er zit dood in de pot!
Zij konden het niet eten.
Hij zei: Breng dan meel.
Hij gooide het in de pot en zei: Schep op voor de mensen, zodat zij kunnen eten.
Toen was er niets schadelijks meer in de pot.
Brood voor honderd mannen
Er kwam een man uit Baäl-Salisa.
Hij bracht de man van God brood van de eerste oogst: twintig gerstebroden en verse korenaren in een zak.
Elisa zei: Geef het aan de mensen, zodat zij kunnen eten.
Maar zijn dienaar zei: Hoe kan ik dit aan 100 mannen voorzetten?
Elisa zei: Geef het aan de mensen, zodat zij kunnen eten.
Want zo zegt de HEERE: Zij zullen eten, en er zal overblijven.

Hij zette het hun voor.
Zij aten, en er bleef over, zoals de HEERE gezegd had.

Download hoofdstuk als tekstbestand