Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Koningen 12

Joas herstelt het huis van de HEERE

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Joas koning van Juda
In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning.
Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Zibja; zij kwam uit Berseba.
Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, zolang de priester Jojada hem onderwees.
Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald.
Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden.
Geld voor het herstel van de tempel
Joas zei tegen de priesters: Al het geld van de heilige gaven dat in het huis van de HEERE binnenkomt, hoort bij elkaar.
Dat is het geld van de telling, het geld dat ieder voor zichzelf moet betalen, en elke gift die iemand uit zichzelf brengt.

De priesters mogen dat geld aannemen, ieder van de mensen die hij kent.
Maar zij moeten er de schade aan het huis mee herstellen, overal waar schade gevonden wordt.

Maar in het drieëntwintigste jaar van koning Joas hadden de priesters de schade aan het huis nog niet hersteld.
Toen riep koning Joas de priester Jojada en de andere priesters bij zich.
Hij zei tegen hen: Waarom herstellen jullie de schade aan het huis niet?
Neem voortaan geen geld meer aan van de mensen die jullie kennen.
Geef het af voor het herstel van het huis.

De priesters stemden ermee in.
Zij zouden geen geld meer van het volk aannemen, en de schade aan het huis niet zelf herstellen.
De priester Jojada nam een kist en boorde een gat in het deksel.
Hij zette die naast het altaar, rechts van de ingang van het huis van de HEERE.
De priesters die de drempel bewaakten, deden daar al het geld in dat in het huis van de HEERE werd gebracht.
Als zij zagen dat er veel geld in de kist zat, kwamen de schrijver van de koning en de hogepriester.
Zij deden het geld in zakken en telden het geld dat in het huis van de HEERE gevonden werd.
Zij gaven het afgewogen geld aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE.
Die betaalden er de timmerlieden en de bouwers mee die aan het huis van de HEERE werkten.
Ook de metselaars en de steenhouwers werden ervan betaald.
Er werd hout en gehouwen steen van gekocht om de schade aan het huis van de HEERE te herstellen, en alles wat verder nodig was.
Van dit geld werden voor het huis van de HEERE geen zilveren schalen gemaakt.
Ook kwamen er geen messen, sprengbekkens, trompetten of gouden en zilveren voorwerpen van.
Het werd alleen aan de werklieden gegeven, en zij herstelden er het huis van de HEERE mee.
De mannen die het geld kregen om de werklieden te betalen, hoefden geen rekening af te leggen, want zij gingen er eerlijk mee om.
Het geld van het schuldoffer en het geld van het zondoffer kwam niet in het huis van de HEERE.
Dat was voor de priesters.
Hazaël bedreigt Jeruzalem en Joas wordt gedood
In die tijd trok Hazaël, de koning van Syrië, op tegen Gath en nam de stad in.
Daarna wilde hij ook tegen Jeruzalem optrekken.
Maar Joas, de koning van Juda, nam alle heilige gaven die zijn voorouders Josafat, Joram en Ahazia, de koningen van Juda, gewijd hadden.
Ook zijn eigen heilige gaven nam hij, en al het goud uit de schatkamers van het huis van de HEERE en van het paleis.
Dat stuurde hij naar Hazaël, de koning van Syrië.
Toen trok die weg van Jeruzalem.
Wat verder over Joas te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda.
Zijn dienaren kwamen in opstand en smeedden een samenzwering.
Zij doodden Joas in het huis van Millo, op de weg die naar Silla afdaalt.
Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, waren zijn dienaren; zij doodden hem.
Men begroef hem bij zijn voorouders in de stad van David.
Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.

Download hoofdstuk als tekstbestand