Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 9
Saul ontmoet Samuël
Saul zoekt de ezelinnen
Er was een man uit Benjamin die Kis heette.
Hij was een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, een Benjaminiet.
Hij was een aanzienlijk man.
Hij was een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, een Benjaminiet.
Hij was een aanzienlijk man.
Hij had een zoon die Saul heette, een jonge man die er goed uitzag.
Er was onder de Israëlieten geen knappere man dan hij.
Hij stak met zijn schouders boven het hele volk uit.
Er was onder de Israëlieten geen knappere man dan hij.
Hij stak met zijn schouders boven het hele volk uit.
De ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen.
Daarom zei Kis tegen zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met je mee en ga de ezelinnen zoeken.
Daarom zei Kis tegen zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met je mee en ga de ezelinnen zoeken.
Hij trok door het bergland van Efraïm en door het land Salisa, maar zij vonden ze niet.
Daarna trokken zij door het land Sahalim, maar daar waren ze niet.
Hij trok ook door het land van Benjamin, maar zij vonden ze niet.
Daarna trokken zij door het land Sahalim, maar daar waren ze niet.
Hij trok ook door het land van Benjamin, maar zij vonden ze niet.
Toen zij in het land Zuf kwamen, zei Saul tegen de knecht die bij hem was: Kom, laten wij teruggaan.
Anders gaat mijn vader zich over ons zorgen maken in plaats van over de ezelinnen.
Anders gaat mijn vader zich over ons zorgen maken in plaats van over de ezelinnen.
Maar de knecht zei tegen hem: Kijk, in deze stad woont een man van God, een geëerde man.
Alles wat hij zegt, komt zeker uit.
Laten wij daarheen gaan.
Misschien kan hij ons zeggen welke weg wij moeten nemen.
Alles wat hij zegt, komt zeker uit.
Laten wij daarheen gaan.
Misschien kan hij ons zeggen welke weg wij moeten nemen.
Saul zei tegen zijn knecht: Maar als wij gaan, wat moeten wij de man dan meebrengen?
Het brood in onze zakken is op, en wij hebben geen geschenk voor de man van God.
Wat hebben wij nog?
Het brood in onze zakken is op, en wij hebben geen geschenk voor de man van God.
Wat hebben wij nog?
De knecht antwoordde Saul opnieuw: Kijk, ik heb nog ongeveer 3 gram zilver bij mij.
Dat zal ik de man van God geven, dan wijst hij ons de weg.
Dat zal ik de man van God geven, dan wijst hij ons de weg.
Vroeger zei men in Israël, als men God om raad ging vragen: Kom, laten wij naar de ziener gaan.
Want wie nu een profeet heet, heette vroeger een ziener.
Want wie nu een profeet heet, heette vroeger een ziener.
Saul zei tegen zijn knecht: Dat is een goed idee.
Kom, laten wij gaan.
Zij gingen naar de stad waar de man van God woonde.
Kom, laten wij gaan.
Zij gingen naar de stad waar de man van God woonde.
Toen zij de helling naar de stad opliepen, kwamen zij meisjes tegen die water gingen putten.
Zij vroegen hun: Is de ziener hier?
Zij vroegen hun: Is de ziener hier?
Zij antwoordden: Ja, hij is vlak voor jullie.
Haast je, want hij is vandaag in de stad gekomen.
Het volk brengt vandaag een offer op de hoogte.
Haast je, want hij is vandaag in de stad gekomen.
Het volk brengt vandaag een offer op de hoogte.
Als jullie de stad in komen, vinden jullie hem, voordat hij naar de hoogte gaat om te eten.
Het volk eet niet voordat hij er is, want hij zegent het offer.
Daarna eten de genodigden.
Ga dus nu, want juist nu vinden jullie hem.
Het volk eet niet voordat hij er is, want hij zegent het offer.
Daarna eten de genodigden.
Ga dus nu, want juist nu vinden jullie hem.
Zij gingen de stad in.
Toen zij midden in de stad waren, kwam Samuël hen tegemoet, op weg naar de hoogte.
Toen zij midden in de stad waren, kwam Samuël hen tegemoet, op weg naar de hoogte.
De HEERE wijst Saul aan
De HEERE had het Samuël een dag voordat Saul kwam, al laten weten.
Hij had gezegd:
Hij had gezegd:
Morgen rond deze tijd stuur ik een man uit het land van Benjamin naar je toe.
Hem moet je zalven tot leider over mijn volk Israël.
Hij zal mijn volk redden uit de macht van de Filistijnen.
Want ik heb mijn volk gezien, en hun hulpgeroep is bij mij gekomen.
Hem moet je zalven tot leider over mijn volk Israël.
Hij zal mijn volk redden uit de macht van de Filistijnen.
Want ik heb mijn volk gezien, en hun hulpgeroep is bij mij gekomen.
Toen Samuël Saul zag, zei de HEERE tegen hem: Kijk, dat is de man over wie ik je gesproken heb.
Hij zal over mijn volk regeren.
Hij zal over mijn volk regeren.
Saul kwam midden in de poort bij Samuël en vroeg: Kunt u mij zeggen waar het huis van de ziener is?
Samuël antwoordde Saul: Ik ben de ziener.
Ga voor mij uit naar de hoogte, want jullie eten vandaag met mij.
Morgenvroeg laat ik je gaan, en dan zal ik je alles vertellen wat je op je hart hebt.
Ga voor mij uit naar de hoogte, want jullie eten vandaag met mij.
Morgenvroeg laat ik je gaan, en dan zal ik je alles vertellen wat je op je hart hebt.
Maak je geen zorgen over de ezelinnen die je drie dagen geleden kwijt bent geraakt, want ze zijn gevonden.
Naar wie gaat al het verlangen van Israël uit?
Is dat niet naar jou en de hele familie van je vader?
Naar wie gaat al het verlangen van Israël uit?
Is dat niet naar jou en de hele familie van je vader?
Saul antwoordde: Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste van de stammen van Israël?
En is mijn familie niet de minste van alle families van de stam van Benjamin?
Waarom zegt u zoiets tegen mij?
En is mijn familie niet de minste van alle families van de stam van Benjamin?
Waarom zegt u zoiets tegen mij?
Samuël nam Saul en zijn knecht mee naar de zaal.
Hij gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden.
Dat waren er ongeveer dertig.
Hij gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden.
Dat waren er ongeveer dertig.
Samuël zei tegen de kok: Breng het stuk dat ik je gegeven heb, waarvan ik zei: Leg het apart.
De kok nam de bout met wat erbij hoorde, en zette die voor Saul neer.
Samuël zei: Kijk, dit is voor je bewaard.
Zet het voor je neer en eet.
Het is voor deze gelegenheid voor je bewaard, sinds ik zei dat ik het volk had uitgenodigd.
Zo at Saul die dag met Samuël.
Samuël zei: Kijk, dit is voor je bewaard.
Zet het voor je neer en eet.
Het is voor deze gelegenheid voor je bewaard, sinds ik zei dat ik het volk had uitgenodigd.
Zo at Saul die dag met Samuël.
Daarna gingen zij van de hoogte naar de stad, en Samuël sprak met Saul op het dak.
Zij stonden vroeg op.
Toen de dageraad aanbrak, riep Samuël Saul op het dak: Sta op, dan laat ik je gaan.
Saul stond op, en samen gingen zij naar buiten, hij en Samuël.
Toen de dageraad aanbrak, riep Samuël Saul op het dak: Sta op, dan laat ik je gaan.
Saul stond op, en samen gingen zij naar buiten, hij en Samuël.
Toen zij aan de rand van de stad kwamen, zei Samuël tegen Saul: Zeg tegen de knecht dat hij voor ons uit gaat.
Hij ging vooruit.
Maar blijf jij nu even staan, dan zal ik je het woord van God laten horen.
Hij ging vooruit.
Maar blijf jij nu even staan, dan zal ik je het woord van God laten horen.