Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Samuel 5

De ark bij de Filistijnen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
De ark in het huis van Dagon
De Filistijnen namen de ark van God en brachten die van Eben-Haëzer naar Asdod.
De Filistijnen brachten de ark van God in het huis van Dagon en zetten die naast Dagon.
Toen de inwoners van Asdod de volgende dag vroeg opstonden, lag Dagon voorover op de grond voor de ark van de HEERE.
Zij pakten Dagon en zetten hem weer op zijn plaats.
De volgende morgen stonden zij weer vroeg op.
Toen lag Dagon opnieuw voorover op de grond voor de ark van de HEERE.
Het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehakt op de drempel.
Alleen de romp van Dagon was nog over.
Daarom stappen de priesters van Dagon en iedereen die het huis van Dagon in Asdod binnengaat, tot vandaag niet op de drempel van Dagon.
De hand van de HEERE tegen de Filistijnen
Maar de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en richtte hen te gronde.
Hij trof Asdod en het gebied eromheen met gezwellen.
Toen de mannen van Asdod zagen wat er gebeurde, zeiden zij: De ark van de God van Israël mag niet bij ons blijven.
Want Zijn hand drukt zwaar op ons en op onze god Dagon.

Zij riepen alle vorsten van de Filistijnen bij zich en vroegen: Wat moeten wij met de ark van de God van Israël doen?
Die zeiden: Breng de ark van de God van Israël naar Gath.
Zo brachten zij de ark van de God van Israël daarheen.
Maar nadat zij de ark daarheen hadden gebracht, keerde de hand van de HEERE zich tegen die stad, en er ontstond grote paniek.
Hij trof de mensen van die stad, klein en groot, en er braken gezwellen bij hen uit.
Toen stuurden zij de ark van God naar Ekron.
Maar toen de ark van God in Ekron kwam, riepen de inwoners: Zij hebben de ark van de God van Israël naar mij gebracht!
Zij willen mij en mijn volk doden!

Zij riepen alle vorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: Stuur de ark van de God van Israël weg.
Laat hij teruggaan naar zijn eigen plaats, zodat hij mij en mijn volk niet doodt.

Want er heerste dodelijke paniek in de hele stad.
De hand van God drukte daar heel zwaar.
De mensen die niet stierven, werden getroffen door gezwellen.
Het hulpgeroep van de stad steeg op naar de hemel.

Download hoofdstuk als tekstbestand