Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Samuel 29

De Filistijnen sturen David terug

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
De vorsten wantrouwen David
De Filistijnen verzamelden al hun legers in Afek.
De Israëlieten sloegen hun kamp op bij de bron in Jizreël.
De vorsten van de Filistijnen trokken voorbij met hun eenheden van honderd en duizend man.
David en zijn mannen trokken met Achis mee in de achterhoede.
Toen vroegen de aanvoerders van de Filistijnen: Wat doen die Hebreeën hier?
Achis zei tegen de aanvoerders van de Filistijnen: Dat is toch David, de dienaar van Saul, de koning van Israël?
Hij is al dagen, ja jaren bij mij.
Sinds de dag dat hij naar mij overliep tot vandaag heb ik niets verkeerds in hem gevonden.

Maar de aanvoerders van de Filistijnen werden kwaad op hem.
Zij zeiden tegen hem: Stuur die man terug naar de plaats die u hem gegeven hebt.
Hij mag niet met ons ten strijde trekken, anders keert hij zich in de strijd tegen ons.
Hoe zou hij zijn heer beter voor zich kunnen winnen dan met de hoofden van deze mannen?

Is dat niet de David over wie zij bij de dansen tegen elkaar in zongen: Saul heeft er duizend verslagen, maar David tienduizend?
Toen riep Achis David en zei tegen hem: Zo waar de HEERE leeft, jij bent eerlijk.
Ik vind het goed dat je met mij in het leger uit en in trekt.
Ik heb niets verkeerds in je gevonden sinds de dag dat je bij mij kwam.
Maar de vorsten vertrouwen je niet.

Keer daarom nu terug en ga in vrede.
Dan doe je niets wat de vorsten van de Filistijnen slecht vinden.

Maar David zei tegen Achis: Wat heb ik dan gedaan?
Wat hebt u in uw dienaar gevonden sinds ik bij u ben tot vandaag?
Waarom mag ik niet meegaan om te strijden tegen de vijanden van mijn heer de koning?

Achis antwoordde David: Ik weet het.
Ik vind je zo goed als een engel van God.
Maar de aanvoerders van de Filistijnen hebben gezegd: Hij mag niet met ons ten strijde trekken.

Sta dus morgen vroeg op, met de dienaren van je heer die met je gekomen zijn.
Sta morgen vroeg op en vertrek zodra het licht wordt.

Zo stonden David en zijn mannen vroeg op om 's morgens terug te gaan naar het land van de Filistijnen.
Maar de Filistijnen trokken op naar Jizreël.

Download hoofdstuk als tekstbestand