Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 25
David, Nabal en Abigaïl
De dood van Samuël
Samuël stierf.
Heel Israël kwam bijeen en rouwde om hem.
Zij begroeven hem bij zijn huis in Rama.
David ging op weg naar de woestijn van Paran.
Heel Israël kwam bijeen en rouwde om hem.
Zij begroeven hem bij zijn huis in Rama.
David ging op weg naar de woestijn van Paran.
Nabal weigert David
Er was een man in Maon die zijn bedrijf in Karmel had.
Die man was zeer rijk.
Hij had 3.000 schapen en 1.000 geiten.
Hij was in Karmel zijn schapen aan het scheren.
Die man was zeer rijk.
Hij had 3.000 schapen en 1.000 geiten.
Hij was in Karmel zijn schapen aan het scheren.
De man heette Nabal, en zijn vrouw heette Abigaïl.
De vrouw was verstandig en mooi, maar de man was hard en slecht in zijn daden.
Hij was een Kalebiet.
De vrouw was verstandig en mooi, maar de man was hard en slecht in zijn daden.
Hij was een Kalebiet.
David hoorde in de woestijn dat Nabal zijn schapen schoor.
Daarom stuurde David tien jonge mannen op pad.
David zei tegen hen: Ga naar Karmel.
Als jullie bij Nabal komen, groet hem dan namens mij.
David zei tegen hen: Ga naar Karmel.
Als jullie bij Nabal komen, groet hem dan namens mij.
Zeg dit tegen die welgestelde man: Vrede zij met u, vrede met uw familie, en vrede met alles wat u hebt!
Ik heb gehoord dat u scheerders hebt.
Uw herders zijn bij ons geweest.
Wij hebben hun niets aangedaan, en zij hebben niets gemist zolang zij in Karmel waren.
Uw herders zijn bij ons geweest.
Wij hebben hun niets aangedaan, en zij hebben niets gemist zolang zij in Karmel waren.
Vraag het maar aan uw knechten, dan zullen zij het u vertellen.
Laat deze jonge mannen dus genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een feestdag gekomen.
Geef uw dienaren en uw zoon David toch wat u maar kunt missen.
Laat deze jonge mannen dus genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een feestdag gekomen.
Geef uw dienaren en uw zoon David toch wat u maar kunt missen.
De jonge mannen van David kwamen bij Nabal en zeiden dit alles namens David.
Toen wachtten zij af.
Toen wachtten zij af.
Maar Nabal antwoordde de dienaren van David: Wie is David?
Wie is die zoon van Isaï?
Tegenwoordig zijn er veel dienaren die bij hun heer weglopen.
Wie is die zoon van Isaï?
Tegenwoordig zijn er veel dienaren die bij hun heer weglopen.
Moet ik mijn brood, mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb geslacht, weggeven?
Aan mannen van wie ik niet eens weet waar zij vandaan komen?
Aan mannen van wie ik niet eens weet waar zij vandaan komen?
De jonge mannen van David keerden om en gingen terug.
Zij kwamen bij hem en vertelden hem dit alles.
Zij kwamen bij hem en vertelden hem dit alles.
David zei tegen zijn mannen: Ieder moet zijn zwaard omgorden!
Ieder gordde zijn zwaard om, en ook David gordde zijn zwaard om.
Ongeveer 400 man trokken met David mee, en 200 bleven bij de bagage.
Ieder gordde zijn zwaard om, en ook David gordde zijn zwaard om.
Ongeveer 400 man trokken met David mee, en 200 bleven bij de bagage.
Abigaïl gaat David tegemoet
Maar een van de knechten vertelde het aan Abigaïl, de vrouw van Nabal.
Hij zei: Kijk, David heeft boden uit de woestijn gestuurd om onze heer te groeten.
Maar hij heeft hen afgesnauwd.
Hij zei: Kijk, David heeft boden uit de woestijn gestuurd om onze heer te groeten.
Maar hij heeft hen afgesnauwd.
Toch zijn die mannen heel goed voor ons geweest.
Zij hebben ons niets aangedaan, en wij hebben niets gemist al die tijd dat wij bij hen op het veld waren.
Zij hebben ons niets aangedaan, en wij hebben niets gemist al die tijd dat wij bij hen op het veld waren.
Dag en nacht waren zij als een muur om ons heen, al die tijd dat wij bij hen de schapen hoedden.
Denk er nu over na wat u moet doen.
Want er hangt onheil boven het hoofd van onze heer en zijn hele familie.
Hij is zo'n nietsnut dat niemand met hem kan praten.
Want er hangt onheil boven het hoofd van onze heer en zijn hele familie.
Hij is zo'n nietsnut dat niemand met hem kan praten.
Toen haastte Abigaïl zich.
Zij nam 200 broden, twee zakken wijn, vijf geslachte schapen en vijf maten geroosterd graan.
Ook nam zij honderd rozijnenkoeken en 200 vijgenkoeken en laadde alles op ezels.
Zij nam 200 broden, twee zakken wijn, vijf geslachte schapen en vijf maten geroosterd graan.
Ook nam zij honderd rozijnenkoeken en 200 vijgenkoeken en laadde alles op ezels.
Zij zei tegen haar knechten: Ga voor mij uit, dan kom ik achter jullie aan.
Maar haar man Nabal vertelde zij niets.
Maar haar man Nabal vertelde zij niets.
Terwijl zij op haar ezel in de beschutting van de berg naar beneden reed, kwamen David en zijn mannen haar tegemoet, en zij ontmoette hen.
David had gezegd: Voor niets heb ik in de woestijn alles beschermd wat die man bezit, zodat er niets van zijn bezit gemist is.
Hij heeft mij goed met kwaad vergolden.
Hij heeft mij goed met kwaad vergolden.
God mag de vijanden van David zo straffen en nog erger!
Van al wat hem toebehoort, laat ik tot morgen geen man in leven!
Van al wat hem toebehoort, laat ik tot morgen geen man in leven!
Toen Abigaïl David zag, stapte zij snel van de ezel.
Zij viel voor David op haar gezicht en boog zich ter aarde.
Zij viel voor David op haar gezicht en boog zich ter aarde.
Zij viel aan zijn voeten en zei: Ach, mijn heer, laat de schuld op mij rusten.
Laat uw dienares toch tegen u spreken, en luister naar wat uw dienares zegt.
Laat uw dienares toch tegen u spreken, en luister naar wat uw dienares zegt.
Laat mijn heer zich toch niets aantrekken van die nietsnut, van Nabal.
Want hij is zoals zijn naam: hij heet Nabal, en dwaasheid is bij hem.
Maar ik, uw dienares, heb de jonge mannen die mijn heer gestuurd heeft, niet gezien.
Want hij is zoals zijn naam: hij heet Nabal, en dwaasheid is bij hem.
Maar ik, uw dienares, heb de jonge mannen die mijn heer gestuurd heeft, niet gezien.
Nu dan, mijn heer, zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: de HEERE heeft u tegengehouden.
U hoeft geen bloed te vergieten en uzelf niet met eigen hand recht te verschaffen.
Laat het nu uw vijanden en ieder die mijn heer kwaad wil doen, vergaan zoals Nabal!
U hoeft geen bloed te vergieten en uzelf niet met eigen hand recht te verschaffen.
Laat het nu uw vijanden en ieder die mijn heer kwaad wil doen, vergaan zoals Nabal!
Laat dit geschenk dat uw dienares aan mijn heer heeft gebracht, gegeven worden aan de jonge mannen die mijn heer volgen.
Vergeef toch de overtreding van uw dienares.
Want de HEERE zal mijn heer zeker een blijvend huis geven, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert.
Uw hele leven lang is er geen kwaad bij u gevonden.
Want de HEERE zal mijn heer zeker een blijvend huis geven, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert.
Uw hele leven lang is er geen kwaad bij u gevonden.
Misschien staat er iemand op om u te achtervolgen en u naar het leven te staan.
Maar het leven van mijn heer zal veilig zijn bij de HEERE, uw God.
Het zal gebonden zijn in de bundel van de levenden.
Maar het leven van uw vijanden zal Hij wegslingeren als met een slinger.
Maar het leven van mijn heer zal veilig zijn bij de HEERE, uw God.
Het zal gebonden zijn in de bundel van de levenden.
Maar het leven van uw vijanden zal Hij wegslingeren als met een slinger.
Dan zal de HEERE voor mijn heer al het goede doen dat Hij over u heeft gezegd, en u aanstellen als leider over Israël.
Dan zal het voor mijn heer geen struikelblok of gewetenslast zijn, dat u zonder reden bloed zou hebben vergoten en uzelf zou hebben geholpen.
En als de HEERE mijn heer goed doet, denk dan aan uw dienares.
En als de HEERE mijn heer goed doet, denk dan aan uw dienares.
Toen zei David tegen Abigaïl: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die je vandaag naar mij toe gestuurd heeft!
Gezegend is je verstandige raad, en gezegend ben jij!
Want je hebt mij vandaag tegengehouden om bloed te vergieten en mijzelf met eigen hand te helpen.
Want je hebt mij vandaag tegengehouden om bloed te vergieten en mijzelf met eigen hand te helpen.
Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, Die mij ervan weerhouden heeft je kwaad te doen!
Als je niet zo snel was gekomen, was er morgenochtend van Nabal geen man meer over geweest!
Als je niet zo snel was gekomen, was er morgenochtend van Nabal geen man meer over geweest!
Toen nam David van haar aan wat zij voor hem had meegebracht.
Hij zei tegen haar: Ga in vrede naar huis.
Kijk, ik heb naar je geluisterd en je verzoek ingewilligd.
Hij zei tegen haar: Ga in vrede naar huis.
Kijk, ik heb naar je geluisterd en je verzoek ingewilligd.
De dood van Nabal
Toen Abigaïl bij Nabal kwam, hield hij een feestmaal in zijn huis, als het maal van een koning.
Nabal was vrolijk en heel dronken.
Daarom vertelde zij hem helemaal niets tot de volgende morgen.
Nabal was vrolijk en heel dronken.
Daarom vertelde zij hem helemaal niets tot de volgende morgen.
De volgende morgen, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde zijn vrouw hem alles.
Toen bezweek zijn hart in hem, en hij werd als een steen.
Toen bezweek zijn hart in hem, en hij werd als een steen.
Ongeveer tien dagen later trof de HEERE Nabal, en hij stierf.
Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: Geloofd zij de HEERE, Die mijn zaak tegen de beledigingen van Nabal heeft verdedigd!
Hij heeft Zijn dienaar van het kwaad weerhouden, en het kwaad van Nabal op zijn eigen hoofd laten neerkomen.
Toen liet David Abigaïl vragen of zij zijn vrouw wilde worden.
Hij heeft Zijn dienaar van het kwaad weerhouden, en het kwaad van Nabal op zijn eigen hoofd laten neerkomen.
Toen liet David Abigaïl vragen of zij zijn vrouw wilde worden.
De dienaren van David kwamen bij Abigaïl in Karmel.
Zij zeiden tegen haar: David heeft ons naar u gestuurd om u als zijn vrouw te halen.
Zij zeiden tegen haar: David heeft ons naar u gestuurd om u als zijn vrouw te halen.
Toen stond zij op en boog zich met haar gezicht ter aarde.
Zij zei: Kijk, uw dienares is bereid een slavin te zijn.
Ik wil de voeten van de dienaren van mijn heer wassen.
Zij zei: Kijk, uw dienares is bereid een slavin te zijn.
Ik wil de voeten van de dienaren van mijn heer wassen.
Abigaïl stond snel op en reed op een ezel weg, met vijf van haar dienstmeisjes achter zich aan.
Zij volgde de boden van David en werd zijn vrouw.
Zij volgde de boden van David en werd zijn vrouw.
Ook had David Ahinoam uit Jizreël genomen.
Zo werden zij allebei zijn vrouw.
Zo werden zij allebei zijn vrouw.
Saul had namelijk zijn dochter Michal, de vrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim.