Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 24
David spaart Saul in de grot
In de grot bij En-gedi
David trok daar weg en verbleef in de bergvestingen van En-gedi.
Toen Saul terugkwam van de achtervolging van de Filistijnen, werd hem verteld: Kijk, David is in de woestijn van En-gedi.
Toen nam Saul 3.000 uitgekozen mannen uit heel Israël en ging David en zijn mannen zoeken bij de Steenbokrotsen.
Hij kwam bij de schaapskooien langs de weg, waar een grot was.
Saul ging de grot in om zijn behoefte te doen.
David en zijn mannen zaten achter in de grot.
Saul ging de grot in om zijn behoefte te doen.
David en zijn mannen zaten achter in de grot.
De mannen van David zeiden tegen hem: Dit is de dag waarover de HEERE tegen u gezegd heeft: Ik geef je vijand in je macht.
Doe met hem wat je goed vindt.
David stond op en sneed ongemerkt een slip van de mantel van Saul af.
Doe met hem wat je goed vindt.
David stond op en sneed ongemerkt een slip van de mantel van Saul af.
Maar daarna sloeg zijn geweten hem, omdat hij een slip van de mantel van Saul had afgesneden.
Hij zei tegen zijn mannen: De HEERE verhoede dat ik zoiets zou doen met mijn heer, de gezalfde van de HEERE.
Ik mag mijn hand niet tegen hem opheffen, want hij is de gezalfde van de HEERE!
Ik mag mijn hand niet tegen hem opheffen, want hij is de gezalfde van de HEERE!
Zo hield David zijn mannen met woorden tegen en liet hij hen Saul niet aanvallen.
Saul stond op, verliet de grot en ging verder.
Saul stond op, verliet de grot en ging verder.
David spreekt Saul aan
Daarna stond ook David op, verliet de grot en riep Saul na: Mijn heer de koning!
Saul keek om, en David boog zich met zijn gezicht ter aarde.
Saul keek om, en David boog zich met zijn gezicht ter aarde.
David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar mensen die zeggen: Kijk, David wil u kwaad doen?
Vandaag hebt u met eigen ogen gezien dat de HEERE u in de grot aan mij heeft overgeleverd.
Men zei dat ik u moest doden, maar ik heb u gespaard.
Ik zei: Ik zal mijn hand niet opheffen tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van de HEERE.
Men zei dat ik u moest doden, maar ik heb u gespaard.
Ik zei: Ik zal mijn hand niet opheffen tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van de HEERE.
Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel in mijn hand.
Ik heb de slip van uw mantel afgesneden, maar u niet gedood.
Zie toch in dat ik geen kwaad en geen opstand in de zin heb.
Ik heb niet tegen u gezondigd, en toch jaagt u op mij om mij te doden.
Ik heb de slip van uw mantel afgesneden, maar u niet gedood.
Zie toch in dat ik geen kwaad en geen opstand in de zin heb.
Ik heb niet tegen u gezondigd, en toch jaagt u op mij om mij te doden.
De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u, en de HEERE zal mij op u wreken.
Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
Zoals het oude spreekwoord zegt: Van goddelozen komt goddeloosheid.
Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
Achter wie is de koning van Israël aangegaan?
Op wie jaagt u?
Op een dode hond, op een enkele vlo!
Op wie jaagt u?
Op een dode hond, op een enkele vlo!
De HEERE zal rechter zijn en rechtspreken tussen mij en u.
Hij zal het zien, mijn zaak verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.
Hij zal het zien, mijn zaak verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.
Toen David uitgesproken was, zei Saul: Is dat jouw stem, mijn zoon David?
En Saul begon luid te huilen.
En Saul begon luid te huilen.
Hij zei tegen David: Jij bent rechtvaardiger dan ik.
Want jij hebt mij goed gedaan, en ik heb jou kwaad gedaan.
Want jij hebt mij goed gedaan, en ik heb jou kwaad gedaan.
Vandaag heb je laten zien dat je mij goed gedaan hebt.
Want de HEERE had mij aan jou overgeleverd, en je hebt mij niet gedood.
Want de HEERE had mij aan jou overgeleverd, en je hebt mij niet gedood.
Als iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan ongedeerd gaan?
Laat de HEERE je belonen voor het goede dat je mij vandaag gedaan hebt.
Laat de HEERE je belonen voor het goede dat je mij vandaag gedaan hebt.
Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden, en dat het koningschap over Israël in jouw hand stand zal houden.
Zweer mij dus nu bij de HEERE dat je mijn nakomelingen na mij niet zult uitroeien.
Zweer dat je mijn naam niet zult uitwissen uit de familie van mijn vader.
Zweer dat je mijn naam niet zult uitwissen uit de familie van mijn vader.
David zwoer het Saul.
Saul ging naar huis, maar David en zijn mannen gingen terug naar de bergvesting.
Saul ging naar huis, maar David en zijn mannen gingen terug naar de bergvesting.