Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 2
Het lied van Hanna; de zonen van Eli
Het lied van Hanna
Toen bad Hanna: Mijn hart juicht in de HEERE, mijn kracht is groot door de HEERE.
Mijn mond spreekt vrijuit tegen mijn vijanden, want ik ben blij met Uw redding.
Mijn mond spreekt vrijuit tegen mijn vijanden, want ik ben blij met Uw redding.
Niemand is heilig zoals de HEERE, want er is niemand behalve U.
Er is geen rots zoals onze God.
Er is geen rots zoals onze God.
Spreek niet zo hoogmoedig, laat er geen grootspraak uit jullie mond komen.
Want de HEERE is een God Die alles weet, en Hij weegt de daden.
Want de HEERE is een God Die alles weet, en Hij weegt de daden.
De boog van de sterken is gebroken, en wie struikelden, zijn met kracht omgord.
Wie verzadigd waren, verhuren zich voor brood, en wie honger hadden, hebben geen honger meer.
Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gekregen, en wie veel kinderen had, is verwelkt.
Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gekregen, en wie veel kinderen had, is verwelkt.
De HEERE doodt en maakt levend.
Hij laat afdalen in het dodenrijk en laat er weer uit opkomen.
Hij laat afdalen in het dodenrijk en laat er weer uit opkomen.
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
Hij vernedert, maar Hij verhoogt ook.
Hij vernedert, maar Hij verhoogt ook.
Hij tilt de geringe op uit het stof, de arme haalt Hij uit het vuil.
Hij laat hen zitten bij de vorsten en geeft hun een ereplaats.
Want de fundamenten van de aarde zijn van de HEERE, en daarop heeft Hij de wereld gezet.
Hij laat hen zitten bij de vorsten en geeft hun een ereplaats.
Want de fundamenten van de aarde zijn van de HEERE, en daarop heeft Hij de wereld gezet.
Hij beschermt de voeten van wie Hem trouw zijn, maar de goddelozen verstommen in de duisternis.
Want niemand wint door eigen kracht.
Want niemand wint door eigen kracht.
Wie tegen de HEERE strijden, worden verpletterd.
Vanuit de hemel laat Hij het tegen hen donderen.
De HEERE zal de einden van de aarde oordelen.
Hij zal Zijn koning kracht geven en Zijn gezalfde groot maken.
Vanuit de hemel laat Hij het tegen hen donderen.
De HEERE zal de einden van de aarde oordelen.
Hij zal Zijn koning kracht geven en Zijn gezalfde groot maken.
Daarna ging Elkana naar huis in Rama.
Maar de jongen diende de HEERE onder toezicht van de priester Eli.
Maar de jongen diende de HEERE onder toezicht van de priester Eli.
De zonde van de zonen van Eli
Maar de zonen van Eli waren nietsnutten.
Zij kenden de HEERE niet.
Zij kenden de HEERE niet.
Zo gingen deze priesters met het volk om.
Als iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester met een drietandige vork, terwijl het vlees kookte.
Als iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester met een drietandige vork, terwijl het vlees kookte.
Hij stak de vork in de ketel, de kookpot, de pan of de pot.
Alles wat de vork omhoog bracht, nam de priester voor zich.
Zo deden zij met alle Israëlieten die in Silo kwamen.
Alles wat de vork omhoog bracht, nam de priester voor zich.
Zo deden zij met alle Israëlieten die in Silo kwamen.
Zelfs voordat het vet in rook opging, kwam de knecht van de priester.
Hij zei tegen de man die offerde: Geef vlees om voor de priester te braden.
Hij neemt geen gekookt vlees van je aan, alleen rauw.
Hij zei tegen de man die offerde: Geef vlees om voor de priester te braden.
Hij neemt geen gekookt vlees van je aan, alleen rauw.
De man zei dan tegen hem: Laat het vet eerst in rook opgaan.
Daarna kun je nemen wat je wilt.
Maar dan zei hij: Nee, geef het nu.
Anders neem ik het met geweld.
Daarna kun je nemen wat je wilt.
Maar dan zei hij: Nee, geef het nu.
Anders neem ik het met geweld.
Zo was de zonde van deze jonge mannen heel groot voor de HEERE.
Want de mensen gingen het offer van de HEERE minachten.
Want de mensen gingen het offer van de HEERE minachten.
Maar Samuël diende de HEERE.
Hij was nog een jongen en droeg een linnen priesterkleed.
Hij was nog een jongen en droeg een linnen priesterkleed.
Zijn moeder maakte elk jaar een kleine mantel voor hem.
Die bracht zij hem als zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen.
Die bracht zij hem als zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen.
Eli zegende Elkana en zijn vrouw.
Hij zei: Laat de HEERE je kinderen geven uit deze vrouw, in plaats van het kind dat zij voor de HEERE heeft gevraagd.
Daarna gingen zij naar huis.
Hij zei: Laat de HEERE je kinderen geven uit deze vrouw, in plaats van het kind dat zij voor de HEERE heeft gevraagd.
Daarna gingen zij naar huis.
De HEERE zag naar Hanna om.
Zij werd zwanger en kreeg drie zonen en twee dochters.
De jonge Samuël groeide op bij de HEERE.
Zij werd zwanger en kreeg drie zonen en twee dochters.
De jonge Samuël groeide op bij de HEERE.
Eli was heel oud.
Hij hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden.
Ook hoorde hij dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent.
Hij hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden.
Ook hoorde hij dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent.
Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen?
Ik hoor van het hele volk over jullie slechte daden.
Ik hoor van het hele volk over jullie slechte daden.
Nee, mijn zonen, wat ik hoor, is geen goed gerucht.
Jullie brengen het volk van de HEERE tot overtreding.
Jullie brengen het volk van de HEERE tot overtreding.
Als een mens tegen een mens zondigt, zal de rechter over hem oordelen.
Maar als een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem pleiten?
Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de HEERE wilde hen doden.
Maar als een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem pleiten?
Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de HEERE wilde hen doden.
De jonge Samuël groeide op en werd geliefd, zowel bij de HEERE als bij de mensen.
Een profetie tegen het huis van Eli
Er kwam een man van God bij Eli.
Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb ik mij niet duidelijk bekendgemaakt aan de familie van je vader?
Toen waren zij in Egypte, in het huis van Farao.
Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb ik mij niet duidelijk bekendgemaakt aan de familie van je vader?
Toen waren zij in Egypte, in het huis van Farao.
Ik heb hem uit alle stammen van Israël voor mij als priester gekozen.
Hij moest offeren op mijn altaar, reukwerk laten opgaan en de efod dragen voor mijn aangezicht.
Ook heb ik de familie van je vader alle vuuroffers van de Israëlieten gegeven.
Hij moest offeren op mijn altaar, reukwerk laten opgaan en de efod dragen voor mijn aangezicht.
Ook heb ik de familie van je vader alle vuuroffers van de Israëlieten gegeven.
Waarom trappen jullie tegen mijn slachtoffers en graanoffers, die ik in mijn woning heb geboden?
Waarom eer je je zonen meer dan mij?
Jullie mesten je vet met het beste van alle offers van mijn volk Israël.
Waarom eer je je zonen meer dan mij?
Jullie mesten je vet met het beste van alle offers van mijn volk Israël.
Daarom zegt de HEERE, de God van Israël: Ik had wel gezegd dat je familie en die van je vader altijd voor mij zouden leven.
Maar nu zegt de HEERE: Daar komt niets van!
Want wie mij eren, zal ik eren, maar wie mij verachten, worden verachtelijk.
Maar nu zegt de HEERE: Daar komt niets van!
Want wie mij eren, zal ik eren, maar wie mij verachten, worden verachtelijk.
Let op, er komen dagen dat ik jouw kracht en de kracht van de familie van je vader zal breken.
Dan zal er in je familie niemand meer oud worden.
Dan zal er in je familie niemand meer oud worden.
Je zult de nood in de woning van God zien, ondanks al het goede dat Hij Israël zou doen.
Er zal nooit meer iemand in je familie oud worden.
Er zal nooit meer iemand in je familie oud worden.
De man van je familie die ik niet van mijn altaar wegneem, zal je ogen laten wegkwijnen en je hart bedroeven.
Alle nakomelingen van je familie zullen sterven in de kracht van hun leven.
Alle nakomelingen van je familie zullen sterven in de kracht van hun leven.
Dit is het teken voor je, dat zal gebeuren met je twee zonen Hofni en Pinehas: op één dag zullen zij allebei sterven.
Maar ik zal een betrouwbare priester voor mij laten opstaan.
Die zal doen wat in mijn hart en in mijn ziel is.
Voor hem zal ik een blijvend huis bouwen, en hij zal altijd voor mijn gezalfde leven.
Die zal doen wat in mijn hart en in mijn ziel is.
Voor hem zal ik een blijvend huis bouwen, en hij zal altijd voor mijn gezalfde leven.
Wie van je familie overblijft, zal naar hem toe komen en zich voor hem neerbuigen voor een zilverstukje en een brood.
Hij zal zeggen: Laat mij toch een priestertaak doen, zodat ik een stuk brood te eten heb.
Hij zal zeggen: Laat mij toch een priestertaak doen, zodat ik een stuk brood te eten heb.