Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Ethiopische boeken
1 Meqabyan 34
Koninkrijk tegen koninkrijk
De koninkrijken staan tegen elkaar op
Het koninkrijk van Medië zal vergaan, en het koninkrijk van Rome zal heel sterk worden, sterker dan het koninkrijk van Macedonië en het koninkrijk van Ninevé en het koninkrijk van Perzië,
en het koninkrijk van Ethiopië sterker dan het koninkrijk van Alexandrië, en het koninkrijk van Moab sterker dan Amalek.
Want zij zullen opstaan.
Want zij zullen opstaan.
En de broer zal opstaan tegen zijn broer, en God zal wraak nemen, zoals Hij over hen gesproken heeft, dat zij vernietigd zouden worden.
En Hij zei: Het ene koninkrijk zal opstaan tegen het andere koninkrijk, en volk tegen volk, en stad tegen stad.
En er zal onrust zijn, en er zal doodslag zijn, en honger en pest en aardbeving en het uitblijven van de regentijd.
Want vrede en liefde zijn geweken, en de gesel van God is daarop neergedaald.
Want vrede en liefde zijn geweken, en de gesel van God is daarop neergedaald.
En wanneer de dag van God gekomen is, dan plotseling, als de bliksem die van het oosten tot het westen verschijnt.
En dan zal ieder vergolden worden naar zijn werk, en naar het werk van zijn handen, en naar de vrucht van zijn werk.
Want Hijzelf, zegt God, zal Zich op hen wreken op de dag van het oordeel, op het moment dat hun voet wankelt.
Want de dag van hun rekenschap is dichtbij gekomen.
Want Hijzelf, zegt God, zal Zich op hen wreken op de dag van het oordeel, op het moment dat hun voet wankelt.
Want de dag van hun rekenschap is dichtbij gekomen.
Op die dag zal God wie het kwade doen en niet naar Zijn wet leven wegvagen, tot het eeuwige oordeel: het volk van Juda, en Cyprus, en Samaria, en Damascus, en het volk van Babylon,
en ook wie op de eilanden wonen: Arabië en India en Nubië en Seba en Egypte en Ethiopië, en allen die daar wonen.
Dan zullen zij mij kennen
Dan zullen zij mij kennen, dat ik het ben, God, die hemel en aarde oordeel.
En ik ben het die eer en gunst geef, en ik ben het die doodt en levend maakt.
En ik ben het die eer en gunst geef, en ik ben het die doodt en levend maakt.
En ik ben het die de zon laat opgaan en haar naar haar ondergang stuurt, en ik ben het die het goede en het kwade brengt.
En ik ben het die een volk brengt dat jullie niet kennen, dat de vrucht van jullie werk zal eten, en de kudden van jullie runderen en van jullie schapen.
En zij zullen jullie kinderen voor jullie ogen neerslaan en hen als gevangenen wegvoeren, en jullie zullen hen niet kunnen redden.
En zij zullen jullie vette gerechten en jullie weelde opeten, omdat jullie geen ontzag gehad hebben voor het gebod van God dat jullie gehoord hebben, en omdat de Geest van God niet over jullie uitgestort is.
En zij zullen jullie vette gerechten en jullie weelde opeten, omdat jullie geen ontzag gehad hebben voor het gebod van God dat jullie gehoord hebben, en omdat de Geest van God niet over jullie uitgestort is.
Wie de Geest van God heeft
Maar wie de Geest van God op zich heeft rusten, weet alles, zoals Nebukadnezar tegen de profeet Daniël zei: Want ik zie de Geest van God op u.
Want wie de Geest van God heeft, weet alles.
Ook wat verborgen is, wordt hem duidelijk, en er is niets verborgen voor de Geest van God, maar Hij kent alles, het verborgene net zo goed als het openbare.
Ook wat verborgen is, wordt hem duidelijk, en er is niets verborgen voor de Geest van God, maar Hij kent alles, het verborgene net zo goed als het openbare.
Want wij zijn mensen, wij die morgen sterven, en onze werken zullen aan het licht komen, alles wat wij in het verborgen gedaan hebben.
Zoals men goud en zilver in het vuur test, zo zullen de zondaars op de laatste dag getest worden, omdat zij het gebod van God niet bewaarden.
Dan zullen ook de werken getest worden van alle kinderen van Israël en van alle volken.