Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Ethiopische boeken

1 Meqabyan 14

Het kalf bij de Horeb

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Het water van de vloed
En hoewel God het eerste volk gegeseld heeft met het water van de vloed om de overtreding van de kinderen van Kaïn, heeft Hij de aarde met het water van de vloed overstroomd en haar schoongewassen van alle vuil van de zonden van de kinderen van Kaïn.
En Hij vernietigde alle onrechtvaardigen, want Hij zei: Het spijt mij dat ik de mensenkinderen gemaakt heb.
En Hij vernietigde hen allemaal en liet niemand over behalve wie in de ark waren.
En daarna maakte Hij hen talrijk, en zij vulden de aarde en verdeelden de erfenis van hun vader Adam.
En Noach sloot een verbond met God, dat Hij de aarde niet nog eens met het water van de vloed zou verwoesten.
En de kinderen van Noach ook: dat zij geen kadavers en geen verscheurd vlees zouden eten, en dat zij geen vreemde goden zouden aanbidden maar alleen God, hun Schepper.
En Hij ook: dat Hij hun God zou zijn, dat Hij hen niet plotseling en voor niets zou wegvagen, dat Hij hun de regen van de lente en de herfst niet zou onthouden, dat Hij de mens voedsel zou geven op zijn tijd en vruchten en gras en gewassen zou laten groeien.
En zij: dat zij hun levenswandel goed zouden maken in alles waar God van houdt.
Wat Mozes hun opgedragen had
En nadat Hij hun die inzetting gegeven had, tergden de kinderen van Israël God met hun slechtheid.
En zij leefden niet zoals hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die het gebod van God, hun Schepper, niet overtreden hebben.
Maar zij, de kinderen van Israël, waren verkeerd in wat zij deden, van de kleinste tot de grootste, en zij hielden zich niet aan het gebod van God.
Zelfs hun Levieten en hun leiders en hun schrijvers, zij allen overtraden het gebod van God.
En zij hielden niet stand bij de wet en de inzetting van God, die Mozes hun opgedragen had in het boek van de wet, waar hij zei: Heb God, jullie God, lief met heel je hart en met heel je ziel.
En heb je naaste lief als jezelf, en aanbid geen vreemde goden, en ga niet naar de vrouw van een ander, en dood geen mens, en steel niet.
En leg geen vals getuigenis af, en verlang niet naar het bezit van je naaste, en ook niet naar iets wat je broer verworven heeft, zijn ezel niet en zijn os niet.
En hoewel Hij dit opdroeg, keerden de verkeerde kinderen van Israël zich tot hebzucht en bezoedeling en onrecht en onderdrukking, en het gaan naar de vrouw van een ander, en diefstal en leugen en het aanbidden van afgoden.
Zie, onze goden
En ook bij de Horeb tergden de kinderen van Israël God door een kalf te maken dat gras eet, en zij bogen zich neer en zeiden: Kijk, onze goden, die ons uit het land Egypte gehaald hebben.
En zij verheugden zich in het werk van hun handen, en zij aten en dronken en werden verzadigd en stonden op om te spelen.
En daarom werd Mozes woedend en daalde hij af van de berg Sinaï, want God zei: Je volk, dat jij uit Egypte gehaald hebt, uit het huis van de slavernij, heeft gezondigd en is afgedwaald, en zij hebben een gegoten kalf gemaakt en zich neergebogen voor een uitgehouwen beeld.
En Mozes daalde af met Jozua, zijn dienaar, terwijl hij woedend was op zijn volk.
En toen Jozua het hoorde, zei hij: Kijk, ik hoor het geluid van een gevecht in het kamp van Israël.
En Mozes zei tegen Jozua: Het is geen geluid van een gevecht, maar het geluid van gejoel om de wijn.
En hij daalde af, verbrijzelde hun beeld en vermaalde het tot poeder, totdat het als stof werd, en hij gooide het in de bron waaruit de kinderen van Israël drinken, in de holte van de berg.
En daarna gaf hij de Levieten opdracht om onderling te vechten om het kwaad dat zij voor het aangezicht van God gedaan hadden.
En zij deden wat hij hun opgedragen had, omdat zij wisten dat de smaad tegen God erger was dan dat zij zelf gedood werden en dat zij hun familie en hun vaders doodden.
En daarom zei Mozes tegen hen: Jullie hebben God getergd, die jullie gevoed en grootgebracht heeft en die jullie uit het huis van de slavernij gehaald heeft, en die jullie als erfenis het land gegeven heeft dat Hij jullie vaderen gezworen heeft aan hen en aan hun nageslacht te geven.
Niet zoals hun vaderen
En zelfs daar hielden zij niet op God te tergen, want zij liepen achter alle kwaad en hebzucht aan.
En niet zoals hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die God behaagden door de schoonheid van hun leven, van hun jeugd tot in de dagen van hun ouderdom.
En Hij beloonde hen, zodat Hij hun geven zou wat op de aarde is en wat in de hemel is, wat Hij klaargemaakt heeft voor wie Hem liefhebben: hier het land van de erfenis, dat overvloeit van melk en honing, en daar de tuin van de vreugde, die klaarligt voor de rechtvaardigen, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en die in het hart van een mens niet opgekomen is, die God klaargemaakt heeft voor wie Hem liefhebben: voor Abraham en Izak en Jakob, die God behaagd hebben in hun leven.
Maar hun kinderen waren verloochenaars en kwaaddoeners, die leefden naar het verlangen van hun hart en niet luisterden naar het woord van God, dat hen gevoed en grootgebracht en vanaf hun jeugd bewaard heeft.
En zij dachten niet aan God, die hen uit het land Egypte gehaald heeft en hen bevrijd heeft van het maken van tichelstenen en van de bittere slavernij.
Maar zij tergden Hem bovenmate.
En Hij zou de vreemden om hen heen tegen hen laten opstaan, en die zouden zich tegen hen verheffen en hen onderwerpen zoals Hij het wilde.

Download hoofdstuk als tekstbestand