Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
1 Makkabeeën 8
Het verbond met Rome
Wat Judas over de Romeinen hoorde
Judas hoorde van de naam van de Romeinen: dat zij sterk en machtig waren, dat zij makkelijk toestonden wat men hun voorstelde, dat zij vriendschap sloten met iedereen die naar hen toe kwam, en dat zij groot waren in kracht.
Want men vertelde hem over hun oorlogen en hun dappere daden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden en belastingplichtig gemaakt.
En wat zij gedaan hadden in het land Spanje, om de zilver- en goudmijnen daar in handen te krijgen, en dat zij met goed overleg en met geduld alle plaatsen in handen gekregen hadden, hoewel die heel ver van hen af lagen.
En over de koningen die van het uiterste einde van de aarde tegen hen opgetrokken waren, tot zij hen vermorzeld hadden en een grote nederlaag toegebracht, en dat wie overbleven hun elk jaar belasting betaalden.
En dat zij Filippus en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen in opstand gekomen waren, vermorzeld en overwonnen hadden.
En onder hen ook Antiochus de Grote, de koning van Azië, die met honderdtwintig olifanten, ruiterij, wagens en heel veel troepen tegen hen was opgetrokken, en dat ook hij door hen vermorzeld was.
En dat zij hem levend gevangen hadden en hem en de koningen na hem hadden opgelegd hun een hoge belasting te betalen, gijzelaars te geven en een gebied af te staan,
namelijk het land India, Medië en Lydië en andere van zijn mooiste gebieden, en dat zij die van hem overgenomen hadden en aan koning Eumenes gegeven.
En dat de Grieken in hun raad besloten hadden op te trekken om hen te vernietigen, en dat de Romeinen daarachter gekomen waren,
en dat zij een legeraanvoerder tegen hen gestuurd hadden en hen zo bestreden hadden dat er veel gewonden van hen vielen en velen gevangengenomen werden, met hun vrouwen en kinderen.
Zij plunderden hen, namen hun land in, braken hun vestingen af, plunderden hen leeg en brachten hen tot slavernij, tot op vandaag.
Zij plunderden hen, namen hun land in, braken hun vestingen af, plunderden hen leeg en brachten hen tot slavernij, tot op vandaag.
En dat zij de andere koninkrijken en eilanden die hun weerstand boden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden.
Maar dat zij met hun vrienden en met wie tevreden waren met hen, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken dichtbij en ver weg in handen gekregen hadden, en dat iedereen die hun naam hoorde bang voor hen was.
En dat wie zij wilden helpen en laten regeren, ook werkelijk regeerden, en dat zij afzetten wie zij wilden, en dat zij zeer machtig waren.
En dat bij dat alles niemand van hen een koningskroon opzette of een purperen mantel aantrok om zich daarmee te laten gelden,
maar dat zij een raad voor zichzelf ingesteld hadden, en dat er dagelijks driehonderdtwintig raadsleden van het volk overlegden om het land goed te besturen,
en dat zij één man vertrouwden om een jaar lang over hen te regeren en over heel hun land te heersen, en dat zij allemaal die ene gehoorzaamden, en dat er onder hen geen afgunst of jaloezie was.
Gezanten naar Rome
Judas koos Eupolemus uit, de zoon van Johannes, de zoon van Akkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij stuurde hen naar Rome om vriendschap en een bondgenootschap te sluiten,
en om het juk van hen weg te nemen, omdat zij zagen dat het rijk van de Grieken Israël tot slavernij bracht.
Zij reisden naar Rome, een heel lange weg.
Zij gingen de raad binnen, namen het woord en zeiden:
Zij gingen de raad binnen, namen het woord en zeiden:
Judas de Makkabeeër en zijn broers en het volk van de Joden hebben ons naar u toe gestuurd om met u een bondgenootschap en vrede te sluiten, en om als uw medestrijders en vrienden ingeschreven te worden.
Dat voorstel beviel hun.
En dit is het afschrift van de brief die zij op koperen platen schreven en naar Jeruzalem stuurden, om daar een gedenkteken van de vrede en het bondgenootschap te zijn:
De tekst op de koperen platen
Moge het de Romeinen en het volk van de Joden goed gaan, op zee en op het land, voor altijd.
En laten het zwaard en de vijand ver van hen blijven.
En laten het zwaard en de vijand ver van hen blijven.
Maar als er eerst oorlog uitbreekt tegen Rome, of tegen een van hun bondgenoten in hun gebied,
dan zal het volk van de Joden de Romeinen van harte in de oorlog bijstaan, zoals de omstandigheden van die tijd het voorschrijven.
En zij zullen aan wie tegen hen oorlog voeren geen proviand, wapens, geld of schepen geven of leveren.
Zo hebben de Romeinen het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden zonder er iets voor te vragen.
Zo hebben de Romeinen het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden zonder er iets voor te vragen.
En omgekeerd: als het volk van de Joden het eerst oorlog krijgt, dan zullen de Romeinen hen van harte in de oorlog bijstaan, zoals de tijd het hun voorschrijft.
En aan wie tegen hen strijden, zal niets gegeven worden: geen proviand, geen wapens, geen geld en geen schepen.
Zo heeft de stad Rome het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden, zonder bedrog.
Zo heeft de stad Rome het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden, zonder bedrog.
Met deze woorden sloten de Romeinen een verbond met het volk van de Joden.
En als na deze woorden de een of de ander er iets aan wil toevoegen of eruit wil halen, dan mogen zij dat doen naar eigen inzicht, en alles wat zij toevoegen of weglaten, zal geldig zijn.
Verder: over het kwaad dat koning Demetrius hun aandoet, hebben wij hem geschreven: waarom hebt u uw juk zwaarder gemaakt voor onze vrienden en bondgenoten de Joden?
Als zij ons dan opnieuw om hulp tegen u vragen, zullen wij hun recht doen en oorlog tegen u voeren, op zee en op het land.