Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
1 Makkabeeën 3
Judas de Makkabeeër
Als een leeuw
Zijn zoon Judas, die de Makkabeeër genoemd werd, stond op in zijn plaats.
Al zijn broers hielpen hem, en iedereen die zijn vader gevolgd had, en zij voerden de oorlog van Israël met vreugde.
Hij maakte de eer van zijn volk groot.
Hij trok zijn pantser aan als een reus, hij gordde zijn wapens aan, hij leverde veel veldslagen en beschermde zijn leger met het zwaard.
Hij trok zijn pantser aan als een reus, hij gordde zijn wapens aan, hij leverde veel veldslagen en beschermde zijn leger met het zwaard.
In zijn daden leek hij op een leeuw, op een jonge leeuw die op jacht gaat.
Hij zocht de goddelozen fanatiek op en achtervolgde hen, en hij verbrandde wie het volk onrustig maakten.
De goddelozen trokken zich uit angst voor hem terug, en alle mensen die onrecht deden, raakten van streek.
En de bevrijding lukte door zijn hand.
En de bevrijding lukte door zijn hand.
Hij maakte veel koningen bitter, en hij maakte Jakob blij met zijn daden, en de herinnering aan hem is tot in eeuwigheid een zegen.
Hij trok door de steden van Juda en roeide de goddelozen daaruit weg, en hij keerde de toorn van God van Israël af.
Zijn naam werd bekend tot aan het uiterste einde van de aarde, en hij bracht bijeen wie verloren dreigden te gaan.
Daarom bracht Apollonius de volken bijeen, en uit Samaria een grote troepenmacht, om oorlog te voeren tegen Israël.
Judas hoorde dat, trok hem tegemoet, versloeg hem en doodde hem.
Er vielen veel gewonden en de rest sloeg op de vlucht.
Er vielen veel gewonden en de rest sloeg op de vlucht.
Hij nam hun buit mee.
Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij vocht daar zijn hele leven mee.
Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij vocht daar zijn hele leven mee.
Seron bij Bet-Choron
Seron, de aanvoerder van de troepen van Syrië, hoorde dat Judas een groep trouwe mannen om zich heen verzameld had die met hem ten strijde trokken.
Hij zei:
Hij zei:
Ik zal naam maken en aanzien krijgen in het koninkrijk.
Ik zal Judas bestrijden en wie bij hem zijn en wie het woord van de koning verachten.
Ik zal Judas bestrijden en wie bij hem zijn en wie het woord van de koning verachten.
Hij trok verder, en met hem trok een sterk leger van goddelozen op om hem te helpen wraak te nemen op de Israëlieten.
Hij kwam tot aan de pas van Bet-Choron, en Judas ging hem tegemoet met weinig mannen.
Toen zij het leger op zich zagen afkomen, zeiden zij tegen Judas: Hoe kunnen wij met zo weinig mensen vechten tegen zo'n sterke menigte, terwijl wij moe zijn en vandaag nog niet gegeten hebben?
Judas zei: Het kan makkelijk gebeuren dat velen in de handen van weinigen worden gesloten.
Voor de hemel maakt het geen verschil of Hij redt door velen of door weinigen.
Voor de hemel maakt het geen verschil of Hij redt door velen of door weinigen.
Want de overwinning in de strijd hangt niet af van de grootte van het leger, maar de kracht komt uit de hemel.
Zij komen op ons af om ons en onze vrouwen en onze kinderen met veel geweld en onrecht te vernietigen en ons te beroven.
Maar wij vechten voor ons leven en voor onze wetten.
En God zal hen voor onze ogen vermorzelen.
Wees dus niet bang voor hen.
Wees dus niet bang voor hen.
Toen hij ophield met spreken, viel hij meteen op hen aan, en Seron en zijn leger werden door hem vermorzeld.
Zij achtervolgden hen bij de afdaling van Bet-Choron tot in de vlakte.
Van hen vielen ongeveer achthonderd man, en de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen.
Van hen vielen ongeveer achthonderd man, en de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen.
De angst voor Judas en zijn broers en de schrik begonnen te vallen op de volken om hen heen.
Zijn naam kwam tot bij de koning, en alle volken vertelden over de veldslagen van Judas.
Antiochus stuurt Lysias
Toen koning Antiochus dat hoorde, werd hij hevig kwaad.
Hij liet alle troepen van zijn koninkrijk bijeenroepen, een heel sterk leger.
Hij liet alle troepen van zijn koninkrijk bijeenroepen, een heel sterk leger.
Hij opende zijn schatkamer, gaf zijn troepen een jaar soldij vooruit en droeg hun op een jaar lang voor alles klaar te staan.
Toen hij zag dat het geld in zijn schatkamer opraakte en dat er weinig belasting uit het land binnenkwam, door de tweedracht en de plaag die hij in het land had aangericht, waarmee hij de wetten had weggenomen die er vanaf de eerste dagen geweest waren,
en toen hij bang werd dat hij niet genoeg zou hebben om nog een of twee keer de kosten te dragen en de geschenken te geven die hij eerder met gulle hand gegeven had, waarmee hij de vorige koningen in mildheid overtroffen had,
raakte hij van binnen heel onzeker.
Hij besloot naar Perzië te reizen om de belastingen van die landen te innen en veel geld bijeen te brengen.
Hij besloot naar Perzië te reizen om de belastingen van die landen te innen en veel geld bijeen te brengen.
Hij liet Lysias achter, een geëerd man van koninklijken bloede, over de zaken van de koning, van de rivier de Eufraat tot aan de grens van Egypte,
en om zijn zoon Antiochus op te voeden tot hij terug zou komen.
Hij gaf hem de helft van zijn troepen en de olifanten, en hij gaf hem opdracht over alles wat hij gedaan wilde hebben, ook over de inwoners van Judea en Jeruzalem:
dat hij troepen tegen hen moest sturen om de kracht van Israël te vermorzelen, om wat er van Jeruzalem over was uit te roeien en om de herinnering aan hen van die plaats weg te nemen,
en dat hij vreemde mensen in hun hele gebied moest laten wonen en hun land door het lot moest verdelen.
De koning nam de andere helft van de troepen mee en vertrok in het jaar honderdzevenenveertig uit Antiochië, zijn koningsstad.
Hij stak de Eufraat over en trok door de hooglanden.
Hij stak de Eufraat over en trok door de hooglanden.
Lysias koos Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias uit, machtige mannen onder de vrienden van de koning.
Hij stuurde met hen veertigduizend man en zevenduizend ruiters mee om het land van Juda binnen te vallen en te verwoesten, zoals de koning gezegd had.
Zij trokken op met heel hun macht en sloegen hun kamp op bij Emmaüs, in de vlakte.
De handelaren uit die streek hoorden van hen.
Zij namen heel veel zilver en goud en slavenketens mee en kwamen in hun kamp om Israëlieten als slaven te kopen.
Ook troepen uit Syrië en uit het land van de Filistijnen voegden zich bij hen.
Zij namen heel veel zilver en goud en slavenketens mee en kwamen in hun kamp om Israëlieten als slaven te kopen.
Ook troepen uit Syrië en uit het land van de Filistijnen voegden zich bij hen.
Bidden in Mispa
Judas en zijn broers zagen dat de ellende groter werd en dat de troepen zich in hun gebied legerden.
Zij hoorden wat de koning bevolen had, namelijk het volk helemaal te vernietigen en uit te roeien.
Toen zei de een tegen de ander:
Zij hoorden wat de koning bevolen had, namelijk het volk helemaal te vernietigen en uit te roeien.
Toen zei de een tegen de ander:
Laten wij ons volk weer oprichten uit deze vernedering, en laten wij vechten voor ons volk en voor het heiligdom.
En de gemeenschap kwam bijeen om zich klaar te maken voor de strijd, om te bidden en om ontferming en genade te vragen.
Jeruzalem lag onbewoond als een woestijn.
Niemand die daar geboren was, ging er nog in of uit.
Het heiligdom werd vertrapt, de vreemdelingen zaten in de burcht en de volken hadden daar hun woonplaats.
Alle vreugde was uit Jakob weggenomen, en de fluit en de citer zwegen.
Niemand die daar geboren was, ging er nog in of uit.
Het heiligdom werd vertrapt, de vreemdelingen zaten in de burcht en de volken hadden daar hun woonplaats.
Alle vreugde was uit Jakob weggenomen, en de fluit en de citer zwegen.
Daarom kwamen zij bijeen in Mispa, tegenover Jeruzalem, want Mispa was vroeger voor Israël de plaats van het gebed geweest.
Zij vastten die dag, trokken rouwkleren aan, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun kleren.
Zij rolden de boeken van de wet uit, waar de volken naarstig in zochten om er de beelden van hun afgoden in te tekenen.
Zij brachten daar de kleren van het priesterschap, de eerstelingen en de tienden, en zij lieten de nazireeërs komen die hun dagen vol gemaakt hadden.
Zij riepen met hun stem naar de hemel: Wat moeten wij met deze mensen doen, en waar moeten wij hen heen brengen?
Uw heiligdom is vertrapt en ontheiligd, en Uw priesters zijn in rouw en vernedering.
En kijk, de volken zijn tegen ons samengekomen om ons te vernietigen.
U weet wat zij tegen ons van plan zijn.
U weet wat zij tegen ons van plan zijn.
Hoe zullen wij tegenover hen kunnen standhouden als U ons niet helpt?
Zij bliezen op de trompetten en riepen met luide stem.
Klaar voor de strijd
Daarna stelde Judas leiders over het volk aan: leiders over duizend, over honderd, over vijftig en over tien.
Zij zeiden tegen wie een huis aan het bouwen waren, wie pas getrouwd waren, wie een wijngaard geplant hadden en wie bang waren, dat ieder van hen naar huis moest gaan, zoals de wet zegt.
Zo brak het leger op en legerde zich ten zuiden van Emmaüs.
Judas zei: Gord je aan en wees sterke mannen.
Wees morgenvroeg klaar om te vechten tegen deze volken, die tegen ons samengekomen zijn om ons en ons heiligdom te vernietigen.
Wees morgenvroeg klaar om te vechten tegen deze volken, die tegen ons samengekomen zijn om ons en ons heiligdom te vernietigen.
Want het is beter dat wij in de strijd sterven dan dat wij moeten toekijken bij de ellende van ons volk en van ons heiligdom.
Maar zoals de wil van God in de hemel is, zo zal Hij met ons doen.