Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

1 Makkabeeën 15

Antiochus keert zich tegen Simon

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
De brief van Antiochus
Antiochus, de zoon van koning Demetrius, stuurde vanaf de eilanden in de zee brieven aan Simon, de priester en leider van de Joden, en aan heel het volk.
Die hadden de volgende inhoud: Koning Antiochus wenst Simon, de hogepriester en leider, en het volk van de Joden voorspoed.
Omdat enkele slechte mannen het koninkrijk van onze vader in handen genomen hebben, heb ik mij voorgenomen het terug te krijgen en te herstellen zoals het vroeger was.
Daarvoor heb ik een grote menigte huurtroepen aangenomen en veel oorlogsschepen uitgerust.

Ik wil het land binnengaan om hen te pakken te krijgen die ons land verwoest hebben en veel steden in het koninkrijk vernield hebben.
Daarom bevestig ik u nu alle vrijstellingen die de koningen vóór mij u gegeven hebben, en alle andere lasten die zij u kwijtgescholden hebben.
En ik sta u toe eigen munten te slaan voor uw land.
Jeruzalem en het heiligdom zullen vrij zijn, en alle wapens die u gemaakt hebt en de vestingen die u gebouwd hebt en die u nu hebt, zullen van u blijven.
En alles wat u de koning schuldig bent en alles wat de koning toe zal komen, is u kwijtgescholden, vanaf nu en voor altijd.
En wanneer wij ons koninkrijk gevestigd hebben, zullen wij u en uw volk en de tempel met grote eer overladen, zodat uw aanzien in alle landen bekend wordt.
Het beleg van Dora
In het honderdvierenzeventigste jaar trok Antiochus op naar het land van zijn voorouders, en alle troepen kwamen bij hem samen, zodat er nog maar weinig mannen bij Tryfon bleven.
Koning Antiochus achtervolgde hem, en hij vluchtte naar Dora, een stad aan zee.
Want hij zag dat de ellende zich boven hem samentrok en dat zijn soldaten hem verlieten.
Antiochus legerde zich tegenover Dora, met honderdtwintigduizend strijdbare mannen en achtduizend ruiters.
Hij omsingelde de stad, bracht ook schepen vanaf zee bijeen en sloot de stad in over land en over zee, en hij liet niemand naar binnen of naar buiten gaan.
De brief van Rome
Numenius en zijn mensen kwamen terug uit Rome met brieven aan de koningen en aan de landen, waarin dit geschreven stond:
Lucius, de consul van de Romeinen, wenst koning Ptolemeüs voorspoed.
De gezanten van de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zijn bij ons gekomen om de oude vriendschap en het bondgenootschap te vernieuwen.
Zij zijn gestuurd door de hogepriester Simon en door het volk van de Joden.

Zij hebben ons een schild van duizend pond gebracht.
Daarom hebben wij besloten aan de koningen en aan de landen te schrijven dat zij hun geen kwaad mogen doen en dat zij hen niet mogen bestrijden, noch hen, noch hun steden, noch hun land, en dat zij geen bondgenootschap mogen aangaan met wie hen aanvalt.
En wij hebben besloten het schild van hen aan te nemen.
Als er dan slechte mensen uit hun land naar u gevlucht zijn, lever hen dan uit aan de hogepriester Simon, zodat hij hen naar hun wet kan straffen.
Hetzelfde schreef hij ook aan koning Demetrius en aan Attalus, aan Ariarathes en aan Arsaces,
en naar alle landen: naar Sampsames, naar de Spartanen, naar Delos, Myndos, Sicyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halicarnassus, Kos, Side, Arados, Faselis, Gortyna, Knidos, Cyprus en Cyrene.
En een afschrift daarvan schreven zij aan de hogepriester Simon.
De eis van Athenobius
Koning Antiochus belegerde Dora voor de tweede maal.
Hij zette voortdurend zijn troepen tegen de stad in en maakte belegeringswerktuigen, en hij sloot Tryfon zo in dat niemand er nog in of uit kon.
Simon stuurde hem tweeduizend uitgelezen mannen om hem te helpen vechten, en ook zilver, goud en veel gerei.
Maar hij wilde dat niet aannemen.
Hij brak alles wat hij eerder met hem afgesproken had, en hij vervreemdde zich van hem.
Hij stuurde Athenobius naar hem toe, een van zijn vrienden, om met hem te onderhandelen, en die zei: Jullie hebben Joppe en Gazara en de burcht van Jeruzalem in handen genomen, steden van mijn koninkrijk.
Jullie hebben het gebied eromheen verwoest, jullie hebben een grote plaag over het land gebracht en jullie hebben veel plaatsen in mijn koninkrijk in handen genomen.
Geef nu dan de steden terug die jullie ingenomen hebben, en de tollen van de plaatsen die jullie in handen gekregen hebben buiten het gebied van Judea.
Of geef daarvoor in de plaats vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting die jullie aangericht hebben en voor de tollen van die plaatsen nog eens vijfhonderd talenten.
Anders komen wij en voeren wij oorlog tegen jullie.

Athenobius, de vriend van de koning, kwam in Jeruzalem.
Hij zag de pracht van Simon, zijn kast met bekers, met zijn goudwerk en zilverwerk en alle uitrusting, en hij was er stil van.
Hij bracht hem de woorden van de koning over.
Simon antwoordde hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen en wij hebben geen bezit van een ander in handen genomen, maar het erfdeel van onze voorouders, dat onze vijanden bij gelegenheid onrechtmatig in handen genomen hadden.
Wij hebben onze kans gekregen en het erfdeel van onze voorouders weer teruggehaald.
En wat Joppe en Gazara betreft, die u opeist: die hebben een grote plaag over het volk gebracht en ook over ons land.
Toch zullen wij daarvoor honderd talenten geven.

Athenobius antwoordde hem geen woord.
Hij keerde woedend terug naar de koning, vertelde hem deze woorden en ook over de pracht van Simon en alles wat hij gezien had.
En de koning werd woedend.
Cendebeüs valt Judea binnen
Tryfon ging aan boord van een schip en vluchtte naar Ortosias.
De koning stelde Cendebeüs aan als bevelhebber over de kuststreek en gaf hem troepen te voet en te paard.
Hij droeg hem op zich tegenover Judea te legeren, Kedron op te bouwen, de poorten te versterken en het volk te bestrijden.
En de koning achtervolgde Tryfon.
Cendebeüs kwam bij Jamnia en begon het volk te tergen, Judea binnen te vallen, mensen gevangen te nemen en te doden.
En hij bouwde Kedron op.
Hij legde daar ruiters en soldaten in, zodat zij uitvallen konden doen en de wegen van Judea konden afstropen, zoals de koning hem opgedragen had.

Download hoofdstuk als tekstbestand