Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

1 Makkabeeën 13

Simon wordt leider

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 8 minuten
U bent onze leider
Simon hoorde dat Tryfon een groot leger bijeenbracht om naar het land Juda te komen en het te verdrukken.
Hij zag dat het volk erg bang en angstig was.
Hij ging op naar Jeruzalem en riep het volk bijeen.
Hij bemoedigde hen en zei tegen hen: Jullie weten zelf wat ik en mijn broers en het huis van mijn vader gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en welke oorlogen en benauwdheden wij gezien hebben.
Daarom zijn al mijn broers omgekomen, om Israël, en ik ben als enige overgebleven.
En nu: ik zal mijn leven nooit sparen in een tijd van verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broers.
Maar ik zal wraak nemen voor mijn volk en voor het heiligdom en voor jullie vrouwen en kinderen, nu alle volken samengekomen zijn om ons uit vijandschap te vermorzelen.
En de geest van het volk leefde op toen zij deze woorden hoorden.
Zij antwoordden met luide stem: U bent onze leider, in plaats van uw broers Judas en Jonathan.
Voer onze oorlog, en wij zullen alles doen wat u ons zegt.
Hij bracht alle strijdbare mannen bijeen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen en versterkte de stad rondom.
Hij stuurde Jonathan, de zoon van Absalom, met een grote troepenmacht naar Joppe.
Die verdreef wie daar zaten en bleef er zelf.
Het bedrog van Tryfon
Tryfon brak op uit Ptolemaïs om met een groot leger het land Juda binnen te vallen, en Jonathan hield hij gevangen bij zich.
Simon legerde zich in Adida, tegenover de vlakte.
Toen Tryfon begreep dat Simon in de plaats van zijn broer Jonathan opgestaan was en dat hij tegen hem zou vechten, stuurde hij gezanten naar hem toe.
Zij zeiden: Wij houden uw broer Jonathan gevangen om het geld dat hij aan de schatkist van de koning schuldig is uit hoofde van de zaken die hij beheerde.
Stuur nu honderd talenten zilver en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet van ons afvalt als hij vrijgelaten wordt, dan zullen wij hem loslaten.
Simon wist wel dat zij tegen hem logen, maar hij stuurde toch het geld en de twee jongens, om niet grote vijandschap bij het volk over zich af te roepen.
Die zouden zeggen: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gestuurd heeft, is zijn broer omgekomen.
Hij stuurde dus de jongens en honderd talenten.
Maar hij bedroog hem met leugens en liet Jonathan niet vrij.
Daarna kwam Tryfon om het land binnen te vallen en te verwoesten.
Hij nam een omweg naar Adora, en Simon en zijn leger trokken hem overal tegemoet waar hij ging.
Wie in de burcht waren, stuurden gezanten naar Tryfon om hem te laten opschieten, zodat hij via de woestijn naar hen toe zou komen en hun voedsel zou sturen.
Tryfon maakte al zijn ruiterij klaar om daarheen te trekken.
Maar die nacht had het zwaar gesneeuwd, en hij ging vanwege de sneeuw niet.
Hij brak op en trok naar Gilead.
Toen hij bij Baskama kwam, doodde hij Jonathan, en daar werd hij begraven.
Tryfon keerde terug en trok naar zijn land.
Het graf in Modin
Simon stuurde mensen en haalde de beenderen van zijn broer Jonathan op, en zij begroeven hem in Modin, de stad van zijn voorouders.
Heel Israël rouwde diep over hem en huilde vele dagen om hem.
Simon bouwde boven het graf van zijn vader en zijn broers een monument.
Hij trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer fraai.
Daarop zette hij zeven piramides, de een tegenover de ander, voor zijn vader, zijn moeder en zijn vier broers.
Daarbij maakte hij grote zuilen die hij eromheen zette, en op die zuilen maakte hij allerlei wapens, tot een blijvende naam.
En bij die wapens hakte hij schepen uit, zodat iedereen die over zee vaart ze kon zien.
Dat is het graf dat hij in Modin maakte, en het staat er tot op vandaag.
Tryfon ging bedrieglijk om met de jonge koning Antiochus en doodde hem.
Hij regeerde in zijn plaats als koning, zette de koningskroon van Azië op en bracht een grote plaag over het land.
Simon bouwde de vestingen van Judea op, ommuurde ze met hoge torens en grote muren en torens, met poorten en grendels, en hij legde voedselvoorraden in de vestingen aan.
De brief van Demetrius
Simon koos enkele mannen uit en stuurde hen naar koning Demetrius met het verzoek het land vrijstelling van belasting te geven, omdat alles wat Tryfon deed alleen maar roof geweest was.
Koning Demetrius antwoordde hem met deze woorden en schreef hem de volgende brief:
Koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend van de koningen, en de oudsten en het hele Joodse volk voorspoed.
De gouden kroon en de purperen mantel die u mij gestuurd hebt, hebben wij ontvangen.
Wij zijn bereid een volledige vrede met u te sluiten en aan de belastingambtenaren te schrijven dat zij u vrijstelling verlenen.

Alles wat wij u beloofd hebben, zal vaststaan, en de vestingen die u gebouwd hebt, zullen van u zijn.
Wij schelden u de vergrijpen en de misdaden tot op vandaag kwijt, en ook de kroongelden die u schuldig bent.
En als er in Jeruzalem nog iets is waarover tol betaald werd, daarover zal voortaan geen tol meer betaald worden.

En als er onder u mannen geschikt zijn om bij ons ingeschreven te worden, laat hen dan ingeschreven worden, en laat er vrede tussen ons zijn.
In het honderdzeventigste jaar is het juk van de volken van Israël weggenomen.
Het volk van Israël begon in zijn documenten en contracten te schrijven: in het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, veldheer en leider van de Joden.
Gazara en de burcht
In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gazara.
Hij belegerde de stad rondom, maakte een stormtoren, bracht die naar de stad, brak daarmee een toren af en nam die in.
Wie in die stormtoren zaten, sprongen de stad in, en er ontstond grote opschudding in de stad.
De mensen van de stad kwamen met hun vrouwen en kinderen op de muren, scheurden hun kleren en riepen met luide stem.
Zij smeekten Simon hun de rechterhand te geven.
Zij zeiden: Doe ons niet naar onze boosheid, maar naar uw ontferming.
Simon liet zich vermurwen.
Hij vernietigde hen niet, maar zette hen de stad uit.
Hij reinigde de huizen waarin afgodsbeelden stonden, en zo trok hij de stad binnen, terwijl hij God prees en dankte.
Hij verwijderde alle onreinheid uit de stad en liet daar mannen wonen die de wet hielden.
Hij versterkte de stad en bouwde er een woning voor zichzelf.
Wie in de burcht van Jeruzalem waren, konden het land niet meer in of uit en niet meer kopen of verkopen.
Zij leden grote honger, en velen van hen stierven van honger.
Zij riepen Simon om hun de rechterhand te geven, en hij gaf die.
Hij dreef hen daar weg en reinigde de burcht van de besmettingen.
Hij trok er binnen op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met dankliederen en palmtakken, met citers, cimbalen en snarenspel, met lofzangen en liederen, omdat zo'n grote vijand uit Israël verdreven was.
Hij bepaalde dat die dag elk jaar met vreugde gevierd zou worden.
Hij versterkte de tempelberg bij de burcht, en hij ging daar wonen met al de zijnen.
Simon zag dat zijn zoon Johannes een volwassen man geworden was.
Hij stelde hem aan als veldheer over alle troepen, en hij woonde in Gazara.

Download hoofdstuk als tekstbestand