Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
1 Makkabeeën 1
Antiochus verwoest Jeruzalem
Alexander en zijn opvolgers
Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, trok uit het land Kittim en versloeg Darius, de koning van de Perzen en de Meden.
Hij regeerde in zijn plaats als koning, nadat hij daarvoor al over Griekenland geregeerd had.
Hij regeerde in zijn plaats als koning, nadat hij daarvoor al over Griekenland geregeerd had.
Hij voerde veel oorlogen, veroverde vestingen en versloeg veel koningen van de aarde.
Hij trok door tot aan het uiterste einde van de aarde en nam grote buit mee van veel volken, en het land lag stil voor hem.
Zijn hart werd hoogmoedig en trots.
Hij bracht een heel sterk leger bijeen en veroverde landen, volken en rijken, en die moesten hem belasting betalen.
Daarna werd hij ziek en moest hij het bed houden.
Omdat hij wist dat hij zou sterven,
Omdat hij wist dat hij zou sterven,
riep hij zijn dienaren, de voornaamsten, die vanaf hun jeugd met hem waren opgegroeid.
Hij verdeelde zijn koninkrijk onder hen terwijl hij nog leefde.
Hij verdeelde zijn koninkrijk onder hen terwijl hij nog leefde.
Alexander regeerde twaalf jaar als koning en stierf.
Zijn dienaren regeerden ieder op hun eigen plaats.
Zijn dienaren regeerden ieder op hun eigen plaats.
Nadat hij gestorven was, zetten zij allemaal een koningskroon op, en hun zonen na hen, vele jaren lang.
En zij brachten steeds meer ellende in het land.
Uit hen kwam een slechte spruit voort: Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die in Rome gijzelaar was geweest.
Hij begon te regeren in het honderdzevenendertigste jaar van het Griekse rijk.
Hij begon te regeren in het honderdzevenendertigste jaar van het Griekse rijk.
Een verbond met de volken
In die dagen kwamen er uit Israël slechte mannen naar voren die velen overhaalden.
Zij zeiden: Laten wij gaan en een verbond sluiten met de volken om ons heen.
Zij zeiden: Laten wij gaan en een verbond sluiten met de volken om ons heen.
Want vanaf de dag dat wij ons van hen afgescheiden hebben, hebben veel rampen ons getroffen.
En dat leek hun een goed idee.
En dat leek hun een goed idee.
Sommigen van het volk waren er meteen voor en gingen naar de koning, en hij gaf hun toestemming om de gewoonten van de volken te volgen.
Zij bouwden in Jeruzalem een sportschool volgens de gewoonten van de volken.
Zij maakten bij zichzelf weer een voorhuid, vielen af van het heilige verbond, sloten zich aan bij de volken en waren verkocht om kwaad te doen.
De tempel geplunderd
Toen het koninkrijk van Antiochus stevig stond, nam hij zich voor ook over Egypte te heersen, om koning over twee koninkrijken te zijn.
Hij kwam met een grote troepenmacht naar Egypte, met wapens, olifanten en ruiters, en met een grote vloot.
Hij begon de oorlog tegen Ptolemeüs, de koning van Egypte, en Ptolemeüs werd bang voor hem en vluchtte.
Er vielen veel gewonden.
Zij namen de sterke steden in het land Egypte in, en hij haalde de buit uit Egypte.
Zij namen de sterke steden in het land Egypte in, en hij haalde de buit uit Egypte.
Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij terug in het honderddrieënveertigste jaar.
Hij trok op naar Israël en Jeruzalem met een grote troepenmacht.
Hij ging vol overmoed het heiligdom binnen.
Hij nam het gouden altaar, de kandelaar voor het licht en alles wat erbij hoorde, de tafel met de toonbroden, de sprengschalen, de kommen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kronen en het gouden sieraad dat aan de tempel te zien was, en hij haalde alles eraf.
Hij nam het gouden altaar, de kandelaar voor het licht en alles wat erbij hoorde, de tafel met de toonbroden, de sprengschalen, de kommen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kronen en het gouden sieraad dat aan de tempel te zien was, en hij haalde alles eraf.
Hij nam het zilver en het goud en de kostbare voorwerpen mee.
Hij nam ook de verborgen schatten die hij vond, en met dat alles trok hij naar zijn land.
Hij nam ook de verborgen schatten die hij vond, en met dat alles trok hij naar zijn land.
Hij liet veel mensen vermoorden en sprak met grote hoogmoed.
Er kwam grote rouw over Israël, op al hun plaatsen.
Want de leiders en de oudsten zuchtten.
De meisjes en de jonge mannen werden zwak, en de schoonheid van de vrouwen veranderde.
De meisjes en de jonge mannen werden zwak, en de schoonheid van de vrouwen veranderde.
Alle bruidegoms gingen rouwen, en wie in haar bruidskamer zat, rouwde.
De burcht in de Davidsstad
Het land beefde om zijn bewoners, en heel het huis van Jakob trok rouwkleren aan.
Twee volle jaren later stuurde de koning de opzichter over de belastingen naar de steden van Juda, en die kwam in Jeruzalem met een heel grote troepenmacht.
Hij sprak vriendelijke woorden tegen hen, maar met bedrog, en zij geloofden hem.
Toen viel hij onverwacht de stad binnen.
Hij bracht hun een grote nederlaag toe en doodde veel volk in Israël.
Hij bracht hun een grote nederlaag toe en doodde veel volk in Israël.
Hij plunderde de stad, stak haar in brand en brak haar huizen en de muren eromheen af.
Zij namen de vrouwen en kinderen gevangen en namen al hun vee mee.
Zij bouwden de Davidsstad op met een grote, sterke muur en met stevige torens, en die werd hun burcht.
Zij zetten daar een slecht volk in, mannen die de wet niet hielden, en die werden daar sterk.
Zij brachten daar wapens en voorraden binnen.
Zij verzamelden de buit van Jeruzalem en sloegen die daar op, en zij werden een grote schrik.
Zij verzamelden de buit van Jeruzalem en sloegen die daar op, en zij werden een grote schrik.
Die burcht lag er om altijd het heiligdom te belagen en om Israël kwaad te doen.
Zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom en zij maakten het heiligdom onrein.
De inwoners van Jeruzalem vluchtten voor hen weg.
De stad werd een woonplaats van vreemdelingen en zij werd vreemd voor wie in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.
Haar heiligdom lag verwoest als een woestijn.
Haar feestdagen werden rouwdagen, haar sabbatten werden bespot en haar eer werd minachting.
Haar feestdagen werden rouwdagen, haar sabbatten werden bespot en haar eer werd minachting.
Haar schande was zo groot als haar eer geweest was, en haar hoogheid sloeg om in rouw.
Eén volk, één wet
De koning schreef aan zijn hele koninkrijk dat zij allemaal één volk moesten zijn en dat iedereen zijn eigen wetten moest loslaten.
Alle volken namen dat aan, zoals de koning gezegd had.
Ook velen in Israël vonden zijn godsdienst mooi.
Zij offerden aan de afgoden en ontheiligden de sabbat.
Zij offerden aan de afgoden en ontheiligden de sabbat.
De koning stuurde brieven via zijn boden naar Jeruzalem en naar de steden van Juda, dat zij moesten leven naar de vreemde wetten van het land,
dat zij de brandoffers, het graanoffer en het drankoffer uit het heiligdom moesten weren,
dat zij de sabbatten en de feestdagen moesten ontheiligen,
dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen onrein moesten maken,
dat zij altaren, heilige bossen en afgodstempels moesten bouwen en varkens en andere onreine dieren moesten slachten,
dat zij hun zonen onbesneden moesten laten en zichzelf gruwelijk moesten maken met alles wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten en alle regels zouden veranderen.
Wie niet zou doen wat de koning zei, moest sterven.
De gruwel van de verwoesting
Met al deze woorden schreef hij aan zijn hele koninkrijk, en hij stelde opzichters aan over heel het volk.
Hij beval de steden van Juda dat zij in elke stad moesten offeren.
Velen van het volk voegden zich bij hen, iedereen die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land.
Zij zorgden ervoor dat Israël zich verstopte in holen en in allerlei schuilplaatsen.
Op de vijftiende dag van de maand Kislev, in het honderdvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van verwoesting op het reukofferaltaar, en overal in de steden van Juda bouwden zij altaren.
In de deuren van de huizen en op de straten offerden zij reukwerk.
De boeken van de wet die zij vonden, verscheurden zij en verbrandden zij.
Bij wie het boek van het verbond gevonden werd, en wie de wet trouw bleef, die doodden zij met geweld, op bevel van de koning.
Zo deden zij met Israël, met iedereen die maand na maand in de steden gevonden werd.
Op de vijfentwintigste dag van de maand offerden zij op het altaar dat op het reukofferaltaar stond.
De vrouwen die hun kinderen lieten besnijden, doodden zij op bevel van de koning.
Zij hingen de kleine kinderen aan de nek van hun moeders.
Zij doodden hun huisgenoten en wie hen besneden hadden.
Zij doodden hun huisgenoten en wie hen besneden hadden.
Maar velen in Israël werden sterk.
Zij besloten vast niets onreins te eten,
Zij besloten vast niets onreins te eten,
en zij kozen liever de dood dan zich met dat eten te besmetten en het heilige verbond te ontheiligen.
En zij stierven.
En zij stierven.
De woede van de koning was heel groot tegen Israël.