Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Koningen 22

Micha en de dood van Achab

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 9 minuten
Achab en Josafat vragen de profeten
Drie jaar lang bleef het rustig.
Er was geen oorlog tussen Syrië en Israël.
Maar in het derde jaar kwam Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël.
De koning van Israël zei tegen zijn dienaren: Weten jullie dat Ramoth in Gilead van ons is?
En wij zitten stil en halen het niet terug uit de macht van de koning van Syrië!

Hij vroeg Josafat: Gaat u met mij mee ten strijde naar Ramoth in Gilead?
Josafat zei tegen de koning van Israël: Ik ben als u, mijn volk als uw volk, mijn paarden als uw paarden.
Josafat zei nog tegen de koning van Israël: Vraag toch eerst wat de HEERE ervan zegt.
Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer 400 man.
Hij vroeg hun: Zal ik ten strijde trekken tegen Ramoth in Gilead, of zal ik het laten?
Zij zeiden: Trek op, want de HEERE zal het in de macht van de koning geven.
Maar Josafat vroeg: Is hier niet nog een profeet van de HEERE, die wij kunnen raadplegen?
De koning van Israël zei tegen Josafat: Er is nog één man door wie wij de HEERE kunnen raadplegen.
Maar ik haat hem, want hij profeteert over mij nooit iets goeds, alleen kwaad.
Het is Micha, de zoon van Jimla.

Josafat zei: De koning moet zoiets niet zeggen!
Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.
De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, gekleed in hun koninklijke gewaden.
Zij zaten op het plein bij de ingang van de poort van Samaria.
Alle profeten profeteerden voor hen.
Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens voor zich gemaakt.
Hij zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Syriërs neerstoten tot u hen vernietigd hebt.
Alle profeten profeteerden hetzelfde.
Zij zeiden: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult slagen.
Want de HEERE zal het in de macht van de koning geven.

De bode die Micha was gaan roepen, zei tegen hem: Kijk, de profeten spreken allemaal eensgezind goede woorden tot de koning.
Laat jouw woord toch zijn zoals dat van een van hen, en spreek iets goeds.

Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat de HEERE tegen mij zegt, dat zal ik spreken.
Toen hij bij de koning kwam, vroeg de koning hem: Micha, zullen wij ten strijde trekken naar Ramoth in Gilead, of zullen wij het laten?
Hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen.
De HEERE zal het in de macht van de koning geven.

Maar de koning zei tegen hem: Hoe vaak moet ik je laten zweren bij de naam van de HEERE?
Spreek tegen mij alleen de waarheid!

Toen zei hij: Ik zag heel Israël verstrooid over de bergen, als schapen zonder herder.
De HEERE zei: Zij hebben geen heer.
Laat ieder in vrede naar huis gaan.

De koning van Israël zei tegen Josafat: Heb ik u niet gezegd dat hij over mij nooit iets goeds profeteert, maar alleen kwaad?
Micha zei verder: Luister daarom naar het woord van de HEERE.
Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en het hele hemelse leger stond rechts en links van Hem.

De HEERE zei: Wie zal Achab overhalen om op te trekken en bij Ramoth in Gilead te sneuvelen?
De een zei dit en de ander dat.

Toen kwam er een geest naar voren.
Hij ging voor de HEERE staan en zei: Ik zal hem overhalen.

De HEERE vroeg hem: Hoe?
Hij zei: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten.
Hij zei: Je zult hem overhalen, en het zal je lukken.
Ga en doe het.

Kijk, de HEERE heeft nu een leugengeest gelegd in de mond van al deze profeten van u.
De HEERE heeft onheil over u uitgesproken.

Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren en sloeg Micha in het gezicht.
Hij zei: Hoe is de Geest van de HEERE dan van mij overgegaan om met jou te spreken?
Micha zei: Kijk, dat zul je zien op de dag dat je van kamer naar kamer vlucht om je te verstoppen.
De koning van Israël zei: Neem Micha en breng hem terug naar Amon, de stadsbestuurder, en naar Joas, de zoon van de koning.
Zeg tegen hen: Zo zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis.
Geef hem karig brood en karig water, tot ik in vrede terugkom.

Micha zei: Als u in vrede terugkomt, dan heeft de HEERE niet door mij gesproken.
En hij zei: Luister, alle volken!
De dood van Achab
Zo trokken de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
De koning van Israël zei tegen Josafat: Ik vermom mij en ga zo de strijd in.
Maar u, trek uw koninklijke kleren aan.

Zo vermomde de koning van Israël zich en ging de strijd in.
De koning van Syrië had de 32 aanvoerders van zijn wagens bevolen: Val niemand aan, klein of groot, alleen de koning van Israël.
Toen de aanvoerders van de wagens Josafat zagen, zeiden zij: Dat is zeker de koning van Israël.
Zij keerden zich naar hem om hem aan te vallen.
Maar Josafat schreeuwde het uit.
Toen de aanvoerders van de wagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, lieten zij hem met rust.
Maar iemand spande in alle onschuld zijn boog en trof de koning van Israël tussen de naden van zijn pantser.
De koning zei tegen zijn wagenmenner: Draai om en breng mij weg van het slagveld, want ik ben zwaar gewond.
Die dag werd de strijd steeds heviger.
De koning werd rechtop in zijn wagen gehouden, tegenover de Syriërs.
Maar 's avonds stierf hij, en het bloed uit zijn wond stroomde in de bodem van de wagen.
Bij zonsondergang ging er een roep door het leger: Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn land!
Zo stierf de koning.
Hij werd naar Samaria gebracht, en men begroef de koning in Samaria.
Toen men de wagen bij de vijver van Samaria afspoelde, likten de honden zijn bloed op, op de plaats waar de prostituees zich wasten.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij gesproken had.
Wat verder over Achab te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Daar staat alles wat hij deed, het ivoren paleis dat hij bouwde en alle steden die hij bouwde.
Zo ging Achab bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.
Josafat koning van Juda
Josafat, de zoon van Asa, werd koning over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.
Josafat was 35 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 25 jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Azuba, de dochter van Silchi.
Hij ging in alle opzichten de weg van zijn vader Asa en week daar niet van af.
Hij deed wat goed is in de ogen van de HEERE.
Toch werden de offerhoogten niet weggehaald.
Het volk offerde en brandde nog steeds reukwerk op de offerhoogten.
Josafat sloot vrede met de koning van Israël.
Wat verder over Josafat te vertellen is, zijn macht en zijn oorlogen, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda.
Ook verdreef hij de laatste tempelprostitués uit het land, die in de tijd van zijn vader Asa waren overgebleven.
In die tijd was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.
Josafat liet Tarsisschepen bouwen om naar Ofir te varen om goud te halen.
Maar zij voeren niet uit, want de schepen leden schipbreuk bij Ezeon-geber.
Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tegen Josafat: Laat mijn dienaren met uw dienaren op de schepen meevaren.
Maar Josafat wilde dat niet.
Josafat ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van zijn vader David.
Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
Ahazia koning van Israël
Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda.
Hij regeerde twee jaar over Israël.
Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEERE.
Hij ging in de weg van zijn vader en zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen.
Hij diende Baäl en boog zich voor hem neer.
Zo tergde hij de HEERE, de God van Israël, net zoals zijn vader had gedaan.

Download hoofdstuk als tekstbestand