Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Koningen 20
Achab en Benhadad
Benhadad belegert Samaria
Benhadad, de koning van Syrië, verzamelde zijn hele leger.
Er waren 32 koningen bij hem, met paarden en wagens.
Hij trok op, belegerde Samaria en viel de stad aan.
Er waren 32 koningen bij hem, met paarden en wagens.
Hij trok op, belegerde Samaria en viel de stad aan.
Hij stuurde boden naar Achab, de koning van Israël, in de stad.
Hij liet hem zeggen: Zo zegt Benhadad: Jouw zilver en goud zijn van mij.
Ook je vrouwen en je beste kinderen zijn van mij.
Ook je vrouwen en je beste kinderen zijn van mij.
De koning van Israël antwoordde: Zoals u zegt, mijn heer de koning.
Ik ben van u, met alles wat ik heb.
Ik ben van u, met alles wat ik heb.
Daarna kwamen de boden terug.
Zij zeiden: Zo zegt Benhadad: Ik heb je laten zeggen: Je moet mij je zilver, je goud, je vrouwen en je kinderen geven.
Zij zeiden: Zo zegt Benhadad: Ik heb je laten zeggen: Je moet mij je zilver, je goud, je vrouwen en je kinderen geven.
Maar morgen rond deze tijd stuur ik mijn dienaren naar je toe.
Zij zullen je paleis en de huizen van je dienaren doorzoeken.
Alles wat je dierbaar is, zullen zij meenemen.
Zij zullen je paleis en de huizen van je dienaren doorzoeken.
Alles wat je dierbaar is, zullen zij meenemen.
Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land bijeen en zei: Let op, en zie hoe deze man op onheil uit is.
Hij heeft mij om mijn vrouwen, mijn kinderen, mijn zilver en mijn goud gevraagd, en ik heb het hem niet geweigerd.
Hij heeft mij om mijn vrouwen, mijn kinderen, mijn zilver en mijn goud gevraagd, en ik heb het hem niet geweigerd.
Maar alle oudsten en het hele volk zeiden tegen hem: Luister niet naar hem en stem niet toe.
Daarom zei hij tegen de boden van Benhadad: Zeg tegen mijn heer de koning: Alles waarom u eerst uw dienaar gevraagd hebt, zal ik doen.
Maar dit kan ik niet doen.
De boden gingen terug en brachten hem het antwoord.
Maar dit kan ik niet doen.
De boden gingen terug en brachten hem het antwoord.
Toen liet Benhadad hem zeggen: De goden mogen mij zo straffen en nog erger!
Het stof van Samaria zal niet eens genoeg zijn voor een handvol voor ieder die mij volgt.
Het stof van Samaria zal niet eens genoeg zijn voor een handvol voor ieder die mij volgt.
Maar de koning van Israël antwoordde: Zeg tegen hem: Wie zijn wapenrusting aandoet, moet niet opscheppen als iemand die haar al aflegt.
Benhadad hoorde dat antwoord terwijl hij met de koningen in de tenten zat te drinken.
Hij zei tegen zijn dienaren: Stel je op!
Zij stelden zich op tegen de stad.
Hij zei tegen zijn dienaren: Stel je op!
Zij stelden zich op tegen de stad.
En zie, een profeet kwam naar Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt de HEERE: Zie je die hele grote menigte?
Kijk, ik geef hen vandaag in je macht.
Dan zul je weten dat ik de HEERE ben.
Kijk, ik geef hen vandaag in je macht.
Dan zul je weten dat ik de HEERE ben.
Achab vroeg: Door wie?
Hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies.
Achab vroeg: Wie moet de strijd beginnen?
Hij zei: U.
Hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies.
Achab vroeg: Wie moet de strijd beginnen?
Hij zei: U.
Toen monsterde hij de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies.
Het waren er 232.
Daarna monsterde hij het hele volk, alle Israëlieten: 7.000 man.
Het waren er 232.
Daarna monsterde hij het hele volk, alle Israëlieten: 7.000 man.
Zij trokken 's middags uit.
Benhadad zat intussen dronken in de tenten met de 32 koningen die hem hielpen.
Benhadad zat intussen dronken in de tenten met de 32 koningen die hem hielpen.
De jonge mannen van de gouverneurs van de provincies trokken als eersten uit.
Benhadad had verkenners uitgestuurd, en die meldden hem: Er komen mannen uit Samaria.
Benhadad had verkenners uitgestuurd, en die meldden hem: Er komen mannen uit Samaria.
Hij zei: Als zij met vredelievende bedoelingen komen, grijp hen dan levend.
En als zij komen om te strijden, grijp hen ook levend.
En als zij komen om te strijden, grijp hen ook levend.
Zo trokken de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies de stad uit, met het leger achter zich aan.
Ieder doodde zijn tegenstander, zodat de Syriërs vluchtten en Israël hen achtervolgde.
Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam te paard met enkele ruiters.
Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam te paard met enkele ruiters.
Ook de koning van Israël trok uit.
Hij versloeg de paarden en wagens en bracht de Syriërs een zware nederlaag toe.
Hij versloeg de paarden en wagens en bracht de Syriërs een zware nederlaag toe.
De slag bij Afek
Toen kwam de profeet bij de koning van Israël en zei tegen hem: Versterk u en bedenk goed wat u moet doen.
Want volgend jaar zal de koning van Syrië opnieuw tegen u optrekken.
Want volgend jaar zal de koning van Syrië opnieuw tegen u optrekken.
De dienaren van de koning van Syrië hadden tegen hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom waren zij sterker dan wij.
Maar laten wij in de vlakte tegen hen strijden, dan zijn wij zeker sterker dan zij!
Maar laten wij in de vlakte tegen hen strijden, dan zijn wij zeker sterker dan zij!
Doe het zo: zet alle koningen af en stel in hun plaats gouverneurs aan.
Breng dan een leger op de been zoals het leger dat u verloren hebt, met evenveel paarden en wagens.
Laten wij dan in de vlakte tegen hen strijden.
Dan zijn wij zeker sterker dan zij!
Hij luisterde naar hen en deed dat.
Laten wij dan in de vlakte tegen hen strijden.
Dan zijn wij zeker sterker dan zij!
Hij luisterde naar hen en deed dat.
Het volgende jaar monsterde Benhadad de Syriërs en trok op naar Afek om tegen Israël te strijden.
Ook de Israëlieten werden gemonsterd en van proviand voorzien.
Zij trokken de Syriërs tegemoet.
De Israëlieten sloegen hun kamp tegenover hen op als twee kleine kudden geiten, maar de Syriërs vulden het hele land.
Zij trokken de Syriërs tegemoet.
De Israëlieten sloegen hun kamp tegenover hen op als twee kleine kudden geiten, maar de Syriërs vulden het hele land.
Toen kwam de man van God naar de koning van Israël.
Hij zei: Zo zegt de HEERE: De Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en niet van de dalen.
Daarom zal ik die hele grote menigte in je macht geven.
Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben.
Hij zei: Zo zegt de HEERE: De Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en niet van de dalen.
Daarom zal ik die hele grote menigte in je macht geven.
Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben.
Zeven dagen lagen zij tegenover elkaar.
Op de zevende dag begon de strijd.
De Israëlieten doodden die dag 100.000 man voetvolk van de Syriërs.
Op de zevende dag begon de strijd.
De Israëlieten doodden die dag 100.000 man voetvolk van de Syriërs.
De overlevenden vluchtten naar de stad Afek.
Daar viel de muur op 27.000 man die waren overgebleven.
Ook Benhadad vluchtte de stad in en verstopte zich in een binnenkamer.
Daar viel de muur op 27.000 man die waren overgebleven.
Ook Benhadad vluchtte de stad in en verstopte zich in een binnenkamer.
Zijn dienaren zeiden tegen hem: Kijk, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis Israël barmhartige koningen zijn.
Laten wij rouwgewaden om ons middel binden en touwen om ons hoofd.
Dan gaan wij naar de koning van Israël.
Misschien laat hij u in leven.
Laten wij rouwgewaden om ons middel binden en touwen om ons hoofd.
Dan gaan wij naar de koning van Israël.
Misschien laat hij u in leven.
Zij bonden rouwgewaden om hun middel en touwen om hun hoofd.
Zij kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad vraagt: Laat mij toch in leven.
Hij zei: Leeft hij nog?
Hij is mijn broer.
Zij kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad vraagt: Laat mij toch in leven.
Hij zei: Leeft hij nog?
Hij is mijn broer.
De mannen zagen dit als een goed teken en grepen dat woord snel aan.
Zij zeiden: Benhadad is uw broer.
Hij zei: Ga hem halen.
Benhadad kwam naar hem toe, en hij liet hem op zijn wagen stappen.
Zij zeiden: Benhadad is uw broer.
Hij zei: Ga hem halen.
Benhadad kwam naar hem toe, en hij liet hem op zijn wagen stappen.
Benhadad zei tegen hem: De steden die mijn vader van uw vader heeft afgenomen, zal ik teruggeven.
U mag in Damaskus handelsstraten voor uzelf aanleggen, zoals mijn vader in Samaria deed.
Achab zei: Op grond van dit verbond laat ik u gaan.
Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan.
U mag in Damaskus handelsstraten voor uzelf aanleggen, zoals mijn vader in Samaria deed.
Achab zei: Op grond van dit verbond laat ik u gaan.
Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan.
Een profeet bestraft Achab
Toen zei een man uit de profetenleerlingen op bevel van de HEERE tegen zijn collega: Sla mij toch.
Maar de man weigerde hem te slaan.
Maar de man weigerde hem te slaan.
Hij zei tegen hem: Omdat je niet naar de HEERE geluisterd hebt, zal een leeuw je doden zodra je bij mij weggaat.
Toen hij bij hem wegging, kwam een leeuw hem tegen en doodde hem.
Toen hij bij hem wegging, kwam een leeuw hem tegen en doodde hem.
Daarna vond hij een andere man en zei: Sla mij toch.
Die man sloeg hem en verwondde hem.
Die man sloeg hem en verwondde hem.
Toen ging de profeet langs de weg op de koning staan wachten.
Hij had zich onherkenbaar gemaakt met as boven zijn ogen.
Hij had zich onherkenbaar gemaakt met as boven zijn ogen.
Toen de koning voorbijkwam, riep hij de koning toe: Uw dienaar trok midden in de strijd mee.
Toen kwam er iemand naar mij toe die een man bij mij bracht.
Hij zei: Bewaak deze man.
Als hij ontsnapt, betaal je met je leven voor zijn leven, of je moet ongeveer 34 kilo zilver betalen.
Toen kwam er iemand naar mij toe die een man bij mij bracht.
Hij zei: Bewaak deze man.
Als hij ontsnapt, betaal je met je leven voor zijn leven, of je moet ongeveer 34 kilo zilver betalen.
Maar terwijl uw dienaar hier en daar bezig was, was hij plotseling verdwenen.
De koning van Israël zei tegen hem: Dat is je vonnis.
Je hebt het zelf uitgesproken.
De koning van Israël zei tegen hem: Dat is je vonnis.
Je hebt het zelf uitgesproken.
Toen haalde hij snel de as van zijn ogen weg.
De koning van Israël herkende hem als een van de profeten.
De koning van Israël herkende hem als een van de profeten.
Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Ik had die man met de ban geslagen, maar jij hebt hem laten gaan.
Daarom zul je met je leven betalen voor zijn leven.
Je volk zal boeten voor zijn volk.
Daarom zul je met je leven betalen voor zijn leven.
Je volk zal boeten voor zijn volk.
De koning van Israël ging stuurs en boos naar huis en kwam in Samaria.