Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Koningen 13

De man van God uit Juda

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
De man van God bij het altaar in Bethel
Toen kwam er op bevel van de HEERE een man van God uit Juda naar Bethel.
Jerobeam stond juist bij het altaar om reukwerk te branden.
Op bevel van de HEERE riep hij tegen het altaar: Altaar, altaar!
Zo zegt de HEERE: Kijk, er zal in het huis van David een zoon geboren worden die Josia heet.
Op jou zal hij de priesters van de offerhoogten offeren, die op jou reukwerk branden.
Men zal mensenbotten op jou verbranden.

Die dag gaf hij ook een teken.
Hij zei: Dit is het teken dat de HEERE gesproken heeft: kijk, het altaar zal scheuren, en de as die erop ligt, zal eraf vallen.
Toen de koning hoorde wat de man van God tegen het altaar in Bethel riep, strekte Jerobeam vanaf het altaar zijn hand uit.
Hij zei: Grijp hem!
Maar de hand die hij naar hem uitstrekte, verstijfde, zodat hij hem niet meer kon terugtrekken.
Het altaar scheurde, en de as viel eraf.
Zo gebeurde het volgens het teken dat de man van God op bevel van de HEERE had gegeven.
Toen zei de koning tegen de man van God: Smeek toch de HEERE, uw God, en bid voor mij dat mijn hand weer herstelt.
De man van God smeekte de HEERE, en de hand van de koning herstelde en werd weer als eerst.
De koning zei tegen de man van God: Kom met mij mee naar huis om wat te eten.
Dan zal ik u een geschenk geven.

Maar de man van God zei tegen de koning: Al gaf u mij de helft van uw paleis, ik ga niet met u mee.
Ik zal op deze plaats geen brood eten en geen water drinken.

Want zo heeft de HEERE mij door Zijn woord geboden: Je mag geen brood eten en geen water drinken.
Je mag niet teruggaan langs de weg die je gekomen bent.

Hij ging langs een andere weg terug en niet langs de weg waarlangs hij naar Bethel gekomen was.
De oude profeet in Bethel
In Bethel woonde een oude profeet.
Zijn zonen kwamen hem alles vertellen wat de man van God die dag in Bethel gedaan had.
Ook vertelden zij hun vader wat hij tegen de koning gezegd had.
Hun vader vroeg hun: Welke weg is hij gegaan?
Zijn zonen hadden gezien welke weg de man van God uit Juda was gegaan.
Toen zei hij tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij.
Zij zadelden de ezel voor hem, en hij stapte erop.
Hij ging de man van God achterna en vond hem onder een eik zitten.
Hij vroeg hem: Ben jij de man van God die uit Juda gekomen is?
Hij zei: Ja, dat ben ik.
Toen zei hij tegen hem: Kom met mij mee naar huis en eet brood.
Maar hij zei: Ik kan niet met je teruggaan en niet met je meegaan.
Ik zal op deze plaats geen brood eten en geen water met je drinken.

Want door het woord van de HEERE is mij gezegd: Je mag daar geen brood eten en geen water drinken.
Je mag niet teruggaan langs de weg die je gekomen bent.

Hij zei tegen hem: Ik ben ook een profeet, net als jij.
Een engel heeft op bevel van de HEERE tegen mij gezegd: Breng hem mee terug naar je huis, zodat hij brood eet en water drinkt.

Maar hij loog tegen hem.
Toen ging hij met hem mee terug en at brood en dronk water in zijn huis.
Terwijl zij aan tafel zaten, kwam het woord van de HEERE tot de profeet die hem had teruggehaald.
Hij riep tegen de man van God uit Juda: Zo zegt de HEERE: Je bent ongehoorzaam geweest aan het woord van de HEERE.
Je hebt het gebod niet gehouden dat de HEERE, je God, je gegeven had.

Je bent teruggegaan en hebt brood gegeten en water gedronken op deze plaats.
Hij had daarover tegen je gezegd: Eet daar geen brood en drink daar geen water.
Daarom zal je lichaam niet in het graf van je voorouders komen.

Nadat hij brood gegeten en water gedronken had, zadelde de oude profeet de ezel voor de profeet die hij had teruggehaald.
Hij ging weg, maar onderweg viel een leeuw hem aan en doodde hem.
Zijn lichaam lag op de weg, en de ezel stond ernaast.
Ook de leeuw stond bij het lichaam.
Er kwamen mensen voorbij die het lichaam op de weg zagen liggen, met de leeuw ernaast.
Zij gingen het vertellen in de stad waar de oude profeet woonde.
De profeet die hem had teruggehaald, hoorde dat.
Hij zei: Dat is de man van God die ongehoorzaam was aan het woord van de HEERE.
Daarom heeft de HEERE hem aan de leeuw uitgeleverd.
Die heeft hem verscheurd en gedood, zoals de HEERE tegen hem gezegd had.

Hij zei tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij.
Zij zadelden hem.
Hij ging erheen en vond het lichaam op de weg, met de ezel en de leeuw ernaast.
De leeuw had het lichaam niet opgegeten en de ezel niet verscheurd.
De profeet tilde het lichaam van de man van God op, legde het op de ezel en bracht het terug.
Zo kwam de oude profeet in de stad om over hem te rouwen en hem te begraven.
Hij legde het lichaam in zijn eigen graf, en zij rouwden om hem: Ach, mijn broeder!
Nadat hij hem begraven had, sprak hij met zijn zonen.
Hij zei: Als ik gestorven ben, begraaf mij dan in het graf waarin de man van God begraven is.
Leg mijn beenderen naast zijn beenderen.

Want wat hij op bevel van de HEERE heeft uitgeroepen tegen het altaar in Bethel, zal zeker gebeuren.
Ook wat hij riep tegen alle tempels op de offerhoogten in de steden van Samaria.

Maar ook na deze gebeurtenis keerde Jerobeam niet terug van zijn slechte weg.
Hij maakte opnieuw mensen uit het gewone volk tot priesters van de offerhoogten.
Wie maar wilde, wijdde hij, en die werd priester van de offerhoogten.
Zo werd dit een zonde van het huis van Jerobeam.
Daardoor werd het huis van Jerobeam weggevaagd en van de aarde verdelgd.

Download hoofdstuk als tekstbestand