Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Numeri 35

Steden voor de Levieten en vrijsteden

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Steden voor de Levieten
In de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho, zei de HEERE tegen Mozes:
Beveel de Israëlieten dat zij van hun erfdeel steden aan de Levieten geven om in te wonen.
Geef de Levieten ook de weidegronden rondom die steden.

De steden zijn om in te wonen.
De weidegronden zijn voor hun runderen, hun kudden en al hun andere dieren.

De weidegronden rondom de steden die jullie aan de Levieten geven, reiken vanaf de stadsmuur ongeveer 450 meter naar buiten.
Meet buiten de stad aan de oostkant ongeveer 900 meter af, en ook aan de zuidkant, de westkant en de noordkant.
De stad ligt in het midden.
Dat zijn de weidegronden van hun steden.

Onder de steden die jullie aan de Levieten geven, zijn zes vrijsteden.
Daarheen kan iemand vluchten die een ander gedood heeft.
Geef hun daarnaast nog 42 steden.

In totaal geven jullie de Levieten 48 steden, met hun weidegronden.
Die steden komen uit het bezit van de Israëlieten.
Neem veel steden van een stam die veel heeft, en weinig van een stam die weinig heeft.
Iedere stam geeft steden aan de Levieten naar de grootte van zijn erfdeel.

Zes vrijsteden
Verder zei de HEERE tegen Mozes:
Zeg tegen de Israëlieten: Straks steken jullie de Jordaan over naar het land Kanaän.
Wijs dan steden aan die jullie als vrijsteden dienen.
Daarheen kan iemand vluchten die zonder opzet een ander heeft gedood.

Die steden zijn voor jullie een toevlucht tegen de bloedwreker.
Zo sterft de doodslager niet voordat hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.

Van de steden die jullie aanwijzen, zijn er zes vrijsteden.
Wijs er drie aan deze kant van de Jordaan aan en drie in het land Kanaän.
Het zijn vrijsteden.

Die zes steden zijn een toevlucht voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor wie tijdelijk bij hen woont.
Daarheen kan ieder vluchten die zonder opzet iemand doodt.

Moord en doodslag
Maar slaat iemand een ander met een ijzeren voorwerp, zodat hij sterft, dan is hij een moordenaar.
Die moordenaar moet zeker gedood worden.

Of slaat hij hem met een steen waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft, dan is hij een moordenaar.
Die moordenaar moet zeker gedood worden.

Of slaat hij hem met een houten voorwerp waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft, dan is hij een moordenaar.
Die moordenaar moet zeker gedood worden.

De bloedwreker moet de moordenaar zelf doden.
Als hij hem tegenkomt, moet hij hem doden.

Zo is het ook als iemand een ander uit haat een duw geeft, of met opzet iets naar hem gooit, zodat hij sterft,
of hem uit vijandschap met zijn hand slaat, zodat hij sterft.
Wie hem sloeg, moet zeker gedood worden, want hij is een moordenaar.
De bloedwreker moet de moordenaar doden als hij hem tegenkomt.

Maar stel dat iemand een ander plotseling een duw geeft zonder vijandschap, of zonder opzet iets naar hem gooit,
of zonder te kijken een steen op hem laat vallen waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft.
Hij was geen vijand van hem en wilde hem geen kwaad doen.

Dan moet de gemeenschap volgens deze regels rechtspreken tussen hem en de bloedwreker.
De gemeenschap moet de doodslager uit de hand van de bloedwreker redden.
Zij laten hem terugkeren naar de vrijstad waar hij heen gevlucht was.
Daar moet hij blijven tot de dood van de hogepriester, die met de heilige olie gezalfd is.

Maar stel dat de doodslager toch buiten de grens komt van de vrijstad waar hij heen gevlucht was,
en de bloedwreker vindt hem buiten die grens.
Als de bloedwreker de doodslager dan doodt, rust er geen bloedschuld op hem.

Want de doodslager had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester.
Pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar zijn eigen grond.

Dit zijn voor jullie wettelijke regels, voor alle generaties, waar jullie ook wonen.
Wie iemand doodt, mag alleen op grond van getuigen als moordenaar gedood worden.
Eén getuige is niet genoeg om iemand ter dood te brengen.

Neem geen losgeld aan voor het leven van een moordenaar die de dood verdient.
Hij moet zeker gedood worden.

Neem ook geen losgeld aan van iemand die naar zijn vrijstad is gevlucht.
Hij mag niet vóór de dood van de hogepriester terugkeren om in zijn land te wonen.

Maak het land waarin jullie wonen niet onheilig.
Want bloed maakt het land onheilig.
Voor het bloed dat in het land vergoten is, kan alleen verzoening worden gedaan door het bloed van degene die het vergoten heeft.

Verontreinig het land niet waarin jullie gaan wonen en waar ik zelf in het midden woon.
Want ik ben de HEERE, die woont te midden van de Israëlieten.

Download hoofdstuk als tekstbestand