Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

Judith 4

Israël bidt en vast

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Zij versterken de bergpassen
De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden alles wat Holofernes, de opperbevelhebber van de koning van Assyrië, met die volken gedaan had, en hoe hij al hun tempels geplunderd en vernietigd had.
Zij werden vreselijk bang voor hem en waren zeer bezorgd om de stad Jeruzalem en om de tempel van de Heere, hun God.
Want zij waren pas kort geleden teruggekomen uit de ballingschap, en heel het volk was nog maar net weer bijeen in Judea; de voorwerpen, het altaar en het huis van God waren pas gereinigd van de ontwijding.
Zij stuurden boodschappers naar heel het gebied van Samaria, naar de dorpen, naar Bethoron, Belmen, Jericho, Choba, Esora en het dal van Salem, en zij bezetten alle toppen van de hoge bergen.
Zij bouwden muren om de dorpen daar en legden graan aan als voorraad voor de oorlog, want hun velden waren pas gemaaid.
Joakim, de hogepriester die in die tijd in Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat tegenover Esdrelon ligt, bij de vlakte in de buurt van Dothaïm.
Hij droeg hun op de bergpassen bezet te houden,
want daardoor liep de toegang naar Judea, en het was makkelijk om mensen tegen te houden die omhoog wilden komen, omdat de doorgang zo smal was dat er hoogstens twee mannen naast elkaar pasten.
De Israëlieten deden wat de hogepriester Joakim en de raad van heel Israël in Jeruzalem hun hadden opgedragen.
Zakken en as
Alle mannen van Israël riepen met grote ernst tot God en vernederden zich diep, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen en hun vee.
Alle inwoners, ook de loonarbeiders en de slaven, deden rouwkleren om hun middel.
Alle mannen en vrouwen van Israël, ook de kinderen en wie in Jeruzalem woonden, wierpen zich neer voor de tempel.
Zij strooiden as op hun hoofd en spreidden hun rouwkleren uit voor het gezicht van de Heere.
Zij bekleedden het altaar met een rouwkleed.
Eendrachtig en met grote ernst riepen zij tot de God van Israël, dat Hij toch hun kleine kinderen niet als buit zou overgeven, hun vrouwen niet als roof, de steden van hun erfdeel niet aan verwoesting, en hun heiligdom niet aan ontwijding en spot, tot vreugde van de volken.
De Heere hoorde hen
En de Heere hoorde hun stem en zag hun nood aan.
Het volk vastte vele dagen lang in heel Judea en in Jeruzalem, voor het heiligdom van de almachtige Heere.
Joakim, de hogepriester, en alle priesters die voor de Heere stonden en Hem dienden, brachten met rouwkleren om hun middel het dagelijkse brandoffer, de offers die beloofd waren en de vrijwillige gaven van het volk, en zij hadden as op hun hoofd.
Zij riepen uit alle macht tot de Heere dat Hij zou omzien naar heel het huis van Israël.

Download hoofdstuk als tekstbestand