Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jozua 22
Het altaar bij de Jordaan
De oostelijke stammen keren terug
Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse bij zich.
Hij zei tegen hen: Jullie hebben alles gedaan wat Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie opgedragen heeft.
Jullie hebben ook naar mij geluisterd in alles wat ik jullie opgedragen heb.
Jullie hebben ook naar mij geluisterd in alles wat ik jullie opgedragen heb.
Al die lange tijd, tot vandaag, hebben jullie je broers niet in de steek gelaten.
Jullie hebben je nauwkeurig gehouden aan het gebod van de HEERE, jullie God.
Jullie hebben je nauwkeurig gehouden aan het gebod van de HEERE, jullie God.
Nu heeft de HEERE, jullie God, jullie broers rust gegeven, zoals Hij hun beloofd had.
Keer daarom terug naar jullie tenten, naar jullie eigen land aan de overkant van de Jordaan.
Mozes, de dienaar van de HEERE, heeft het jullie gegeven.
Keer daarom terug naar jullie tenten, naar jullie eigen land aan de overkant van de Jordaan.
Mozes, de dienaar van de HEERE, heeft het jullie gegeven.
Houd je alleen nauwkeurig aan het gebod en de wet die Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie gegeven heeft.
Heb de HEERE, jullie God, lief, ga al Zijn wegen en houd je aan Zijn geboden.
Houd je aan Hem vast en dien Hem met heel je hart en heel je ziel.
Heb de HEERE, jullie God, lief, ga al Zijn wegen en houd je aan Zijn geboden.
Houd je aan Hem vast en dien Hem met heel je hart en heel je ziel.
Jozua zegende hen en liet hen gaan, en zij gingen naar hun tenten.
Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Basan.
De andere helft had Jozua een erfdeel gegeven bij hun broers, aan de westkant van de Jordaan.
Toen Jozua hen naar hun tenten liet gaan, zegende hij hen.
De andere helft had Jozua een erfdeel gegeven bij hun broers, aan de westkant van de Jordaan.
Toen Jozua hen naar hun tenten liet gaan, zegende hij hen.
Hij zei tegen hen: Keer terug naar jullie tenten met grote rijkdom en heel veel vee, met zilver, goud, koper, ijzer en heel veel kleding.
Deel de buit van jullie vijanden met jullie broers.
Deel de buit van jullie vijanden met jullie broers.
Zo keerden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse terug.
Zij verlieten de Israëlieten in Silo, in het land Kanaän.
Zij gingen naar het land Gilead, het land dat zij op bevel van de HEERE via Mozes in bezit hadden gekregen.
Zij verlieten de Israëlieten in Silo, in het land Kanaän.
Zij gingen naar het land Gilead, het land dat zij op bevel van de HEERE via Mozes in bezit hadden gekregen.
Een altaar bij de Jordaan
Zij kwamen bij de oevers van de Jordaan in het land Kanaän.
Daar bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse een altaar.
Het was een groot altaar, dat van ver te zien was.
Daar bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse een altaar.
Het was een groot altaar, dat van ver te zien was.
De Israëlieten hoorden zeggen: Kijk, de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd.
Het staat tegenover het land Kanaän, bij de oevers van de Jordaan, aan de kant van de Israëlieten.
Het staat tegenover het land Kanaän, bij de oevers van de Jordaan, aan de kant van de Israëlieten.
Toen de Israëlieten dat hoorden, kwam de hele gemeenschap van Israël bijeen in Silo om tegen hen ten strijde te trekken.
De Israëlieten stuurden Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, naar de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilead.
Met hem gingen tien leiders mee, één voor elke familie uit alle stammen van Israël.
Ieder van hen was het hoofd van zijn familie onder de duizenden van Israël.
Ieder van hen was het hoofd van zijn familie onder de duizenden van Israël.
Zij kwamen bij de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilead en zeiden tegen hen:
Zo zegt de hele gemeenschap van de HEERE: Wat is dit voor ontrouw tegenover de God van Israël?
Waarom keren jullie je vandaag van de HEERE af door een eigen altaar te bouwen?
Zo komen jullie vandaag in opstand tegen de HEERE!
Waarom keren jullie je vandaag van de HEERE af door een eigen altaar te bouwen?
Zo komen jullie vandaag in opstand tegen de HEERE!
Is de zonde van Peor niet genoeg voor ons?
Wij zijn er tot vandaag niet van gereinigd, hoewel er toen een plaag over de gemeenschap van de HEERE kwam.
Wij zijn er tot vandaag niet van gereinigd, hoewel er toen een plaag over de gemeenschap van de HEERE kwam.
En nu keren jullie je vandaag van de HEERE af!
Als jullie vandaag in opstand komen tegen de HEERE, zal Hij morgen woedend worden op de hele gemeenschap van Israël.
Als jullie vandaag in opstand komen tegen de HEERE, zal Hij morgen woedend worden op de hele gemeenschap van Israël.
Als jullie eigen land onrein is, kom dan over naar het land dat van de HEERE is, waar de tabernakel van de HEERE staat.
Neem land in bezit tussen ons.
Maar kom niet in opstand tegen de HEERE en tegen ons door een ander altaar te bouwen dan het altaar van de HEERE, onze God.
Neem land in bezit tussen ons.
Maar kom niet in opstand tegen de HEERE en tegen ons door een ander altaar te bouwen dan het altaar van de HEERE, onze God.
Was Achan, de zoon van Zerah, niet ontrouw met wat met de ban geslagen was?
Kwam er toen niet toorn over de hele gemeenschap van Israël?
Hij was niet de enige die door zijn zonde omkwam.
Kwam er toen niet toorn over de hele gemeenschap van Israël?
Hij was niet de enige die door zijn zonde omkwam.
Het antwoord van de oostelijke stammen
Toen antwoordden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse de hoofden van de duizenden van Israël:
De God van de goden, de HEERE, de God van de goden, de HEERE, Hij weet het, en laat Israël het ook weten!
Als het uit opstandigheid of ontrouw tegenover de HEERE is gebeurd, spaar ons dan vandaag niet.
Als het uit opstandigheid of ontrouw tegenover de HEERE is gebeurd, spaar ons dan vandaag niet.
Misschien hebben wij een altaar gebouwd om ons van de HEERE af te keren.
Of om er brandoffers, graanoffers of dankoffers op te brengen.
Laat de HEERE het dan zelf van ons eisen.
Of om er brandoffers, graanoffers of dankoffers op te brengen.
Laat de HEERE het dan zelf van ons eisen.
Nee, wij hebben dit gedaan uit zorg.
Wij dachten: Later zullen jullie kinderen misschien tegen onze kinderen zeggen: Wat hebben jullie met de HEERE, de God van Israël, te maken?
Wij dachten: Later zullen jullie kinderen misschien tegen onze kinderen zeggen: Wat hebben jullie met de HEERE, de God van Israël, te maken?
De HEERE heeft de Jordaan als grens gelegd tussen ons en jullie, Rubenieten en Gadieten.
Jullie hebben geen deel aan de HEERE.
Zo zouden jullie kinderen onze kinderen ervan kunnen weerhouden de HEERE te vrezen.
Jullie hebben geen deel aan de HEERE.
Zo zouden jullie kinderen onze kinderen ervan kunnen weerhouden de HEERE te vrezen.
Daarom zeiden wij: Laten wij een altaar bouwen, niet voor brandoffers of andere offers.
Het moet een getuige zijn tussen ons en jullie, en tussen de generaties na ons.
Zo mogen wij de HEERE dienen voor Zijn aangezicht, met onze brandoffers, slachtoffers en dankoffers.
Dan kunnen jullie kinderen later niet tegen onze kinderen zeggen: Jullie hebben geen deel aan de HEERE.
Zo mogen wij de HEERE dienen voor Zijn aangezicht, met onze brandoffers, slachtoffers en dankoffers.
Dan kunnen jullie kinderen later niet tegen onze kinderen zeggen: Jullie hebben geen deel aan de HEERE.
Wij zeiden: Misschien zeggen zij later zoiets tegen ons of tegen onze nakomelingen.
Dan zeggen wij: Kijk naar de nabootsing van het altaar van de HEERE die onze voorouders gemaakt hebben.
Die is niet voor brandoffers of andere offers, maar een getuige tussen ons en jullie.
Dan zeggen wij: Kijk naar de nabootsing van het altaar van de HEERE die onze voorouders gemaakt hebben.
Die is niet voor brandoffers of andere offers, maar een getuige tussen ons en jullie.
Het zij verre van ons dat wij in opstand zouden komen tegen de HEERE en ons vandaag van Hem zouden afkeren.
Wij zouden geen ander altaar bouwen voor brandoffers, graanoffers of slachtoffers dan het altaar van de HEERE, onze God, dat voor Zijn tabernakel staat.
Wij zouden geen ander altaar bouwen voor brandoffers, graanoffers of slachtoffers dan het altaar van de HEERE, onze God, dat voor Zijn tabernakel staat.
Vrede hersteld
De priester Pinehas en de leiders van de gemeenschap hoorden wat de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten zeiden.
Ook de hoofden van de duizenden van Israël die bij hem waren, hoorden het.
Zij vonden het goed.
Ook de hoofden van de duizenden van Israël die bij hem waren, hoorden het.
Zij vonden het goed.
Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tegen de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten: Vandaag weten wij dat de HEERE bij ons is.
Want jullie zijn de HEERE niet ontrouw geweest.
Zo hebben jullie de Israëlieten gered uit de hand van de HEERE.
Want jullie zijn de HEERE niet ontrouw geweest.
Zo hebben jullie de Israëlieten gered uit de hand van de HEERE.
Toen keerden Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, en de leiders terug van de Rubenieten en de Gadieten in het land Gilead.
Zij gingen naar het land Kanaän, naar de Israëlieten, en brachten hun verslag uit.
Zij gingen naar het land Kanaän, naar de Israëlieten, en brachten hun verslag uit.
De Israëlieten vonden het antwoord goed en loofden God.
Zij spraken er niet meer over om tegen hen ten strijde te trekken en het land te verwoesten waar de Rubenieten en de Gadieten woonden.
Zij spraken er niet meer over om tegen hen ten strijde te trekken en het land te verwoesten waar de Rubenieten en de Gadieten woonden.
De Rubenieten en de Gadieten noemden het altaar Getuige.
Zij zeiden: Het is een getuige tussen ons dat de HEERE God is.
Zij zeiden: Het is een getuige tussen ons dat de HEERE God is.