Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jona 3
Ninevé keert terug
Nog veertig dagen
Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jona.
Sta op en ga naar de grote stad Ninevé.
Verkondig daar de boodschap die ik je zeg.
Verkondig daar de boodschap die ik je zeg.
Toen stond Jona op en ging naar Ninevé, zoals de HEERE gezegd had.
Ninevé was een geweldig grote stad, drie dagreizen groot.
Ninevé was een geweldig grote stad, drie dagreizen groot.
Jona begon de stad in te gaan, één dagreis ver.
Hij riep: Nog veertig dagen en Ninevé wordt omgekeerd.
Hij riep: Nog veertig dagen en Ninevé wordt omgekeerd.
De mensen van Ninevé geloofden in God.
Zij riepen een vastentijd uit en trokken rouwkleren aan, van groot tot klein.
Zij riepen een vastentijd uit en trokken rouwkleren aan, van groot tot klein.
Het bericht bereikte de koning van Ninevé.
Hij stond op van zijn troon en deed zijn mantel uit.
Hij hulde zich in een rouwkleed en ging in de as zitten.
Hij stond op van zijn troon en deed zijn mantel uit.
Hij hulde zich in een rouwkleed en ging in de as zitten.
Hij liet in Ninevé afkondigen op bevel van de koning en zijn machthebbers: Mensen en dieren, runderen en schapen mogen niets eten.
Zij mogen niet grazen en geen water drinken.
Zij mogen niet grazen en geen water drinken.
Mensen en dieren moeten rouwkleren dragen en luid tot God roepen.
Iedereen moet zich bekeren van zijn slechte weg en van het geweld in zijn handen.
Iedereen moet zich bekeren van zijn slechte weg en van het geweld in zijn handen.
Wie weet keert God zich om en krijgt Hij spijt.
Misschien laat Hij Zijn brandende toorn varen, zodat wij niet vergaan.
Misschien laat Hij Zijn brandende toorn varen, zodat wij niet vergaan.
God zag wat zij deden: zij bekeerden zich van hun slechte weg.
Toen kreeg God spijt over het onheil dat Hij gezegd had hun te zullen doen.
Hij deed het niet.
Toen kreeg God spijt over het onheil dat Hij gezegd had hun te zullen doen.
Hij deed het niet.