Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Job 24

Waarom grijpt God niet in?

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Onrecht op klaarlichte dag
Waarom stelt de Almachtige geen tijden vast?
Waarom zien wie Hem kennen zijn dagen niet?

Er zijn mensen die grensstenen verzetten.
Zij roven kudden en weiden die als hun eigen bezit.

De ezel van wezen drijven zij weg.
De os van een weduwe nemen zij als onderpand.

Zij duwen de armen van de weg af.
Wie het moeilijk heeft in het land, moet zich verstoppen.

Kijk, als wilde ezels in de woestijn gaan zij eropuit om te werken.
Zij zoeken vroeg naar voedsel, en de steppe geeft brood voor hun kinderen.

Op het veld oogsten zij het voer van een ander.
Zij lezen de wijngaard van de goddeloze na.

Zonder kleren brengen zij de nacht door, zonder iets om zich tegen de kou te dekken.
Zij worden nat van de regen in de bergen.
Zonder onderdak drukken zij zich tegen de rotsen.

Men rukt het weeskind van de borst.
Van wie arm is, neemt men een onderpand.

Zonder kleren lopen zij rond.
Hongerig dragen zij de schoven.

Tussen de muren van anderen persen zij olie.
Zij treden de wijnpersen en hebben zelf dorst.

Uit de stad stijgt het gekreun van stervenden op.
De gewonden schreeuwen om hulp, maar God let niet op hun gebed.

Wie het licht haten
Er zijn mensen die tegen het licht in gaan.
Zij kennen zijn wegen niet en blijven niet op zijn paden.

Bij het eerste licht staat de moordenaar op.
Hij doodt wie arm en behoeftig is, en 's nachts is hij een dief.

Het oog van de overspeler wacht op de schemering.
Hij denkt: Geen oog zal mij zien.
En hij bedekt zijn gezicht.

In het donker breekt men in huizen in die men overdag had uitgezocht.
Zij kennen het licht niet.

De ochtend is voor hen allemaal als doodsschaduw.
De verschrikkingen van de doodsschaduw zijn hun vertrouwd.

Toch komt hun einde
Hij drijft snel weg op het water.
Zijn deel op de aarde is vervloekt.
Niemand slaat nog de weg naar zijn wijngaard in.

Droogte en hitte nemen het sneeuwwater weg.
Zo neemt het dodenrijk wie gezondigd hebben.

De moederschoot vergeet hem, de wormen smullen van hem.
Niemand denkt nog aan hem.
Het onrecht wordt gebroken als een boom.

Hij buit de onvruchtbare vrouw uit, die geen kind kreeg, en doet een weduwe geen goed.
Maar God sleept de machtigen mee met zijn kracht.
Staat Hij op, dan is niemand zeker van zijn leven.

Hij geeft hun veiligheid, en daarop steunen zij.
Toch houdt Hij hun wegen in het oog.

Korte tijd staan zij hoog, en dan zijn zij er niet meer.
Zij worden neergedrukt en weggehaald zoals iedereen.
Zij worden afgesneden als de top van een aar.

Als het zo niet is, wie maakt mij dan tot leugenaar?
Wie toont aan dat mijn woorden niets waard zijn?

Download hoofdstuk als tekstbestand