Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jesaja 41
Wees niet bang, ik help je
Zwijg voor mij, eilanden
Zwijg voor mij, eilanden, en laat de volken nieuwe kracht krijgen.
Laat hen naderbij komen en spreken.
Laten wij samen voor het gerecht komen.
Laat hen naderbij komen en spreken.
Laten wij samen voor het gerecht komen.
Wie heeft uit het oosten die rechtvaardige laten opstaan en hem geroepen om te volgen?
Wie gaf volken aan hem over en liet hem over koningen heersen?
Zijn zwaard maakte hen tot stof en zijn boog tot weggewaaide stoppels.
Wie gaf volken aan hem over en liet hem over koningen heersen?
Zijn zwaard maakte hen tot stof en zijn boog tot weggewaaide stoppels.
Hij achtervolgde hen en trok ongedeerd verder, over een pad dat zijn voeten nooit gegaan waren.
Wie heeft dit gedaan en tot stand gebracht en de geslachten vanaf het begin geroepen?
Ik, de HEERE, ben de Eerste, en bij de laatsten ben ik dezelfde.
Ik, de HEERE, ben de Eerste, en bij de laatsten ben ik dezelfde.
De eilanden zagen het en werden bang.
De einden van de aarde beefden.
Zij kwamen naderbij.
De einden van de aarde beefden.
Zij kwamen naderbij.
De een hielp de ander en zei tegen zijn maat: Wees sterk!
De vakman moedigde de goudsmid aan, en wie met de hamer gladstrijkt, wie op het aambeeld slaat.
Hij zei over het soldeersel: Het is goed.
Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.
Hij zei over het soldeersel: Het is goed.
Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.
Jij bent mijn knecht
Maar jij, Israël, bent mijn knecht.
Jij, Jakob, heb ik uitgekozen, nageslacht van Abraham, die mij liefhad.
Jij, Jakob, heb ik uitgekozen, nageslacht van Abraham, die mij liefhad.
Ik heb je gegrepen van de einden van de aarde en je uit haar verste hoeken geroepen.
Ik zei tegen je: jij bent mijn knecht, ik heb je gekozen en niet verworpen.
Ik zei tegen je: jij bent mijn knecht, ik heb je gekozen en niet verworpen.
Wees niet bang, want ik ben met je.
Kijk niet angstig rond, want ik ben je God.
Ik maak je sterk, ik help je, ik ondersteun je met mijn rechterhand van gerechtigheid.
Kijk niet angstig rond, want ik ben je God.
Ik maak je sterk, ik help je, ik ondersteun je met mijn rechterhand van gerechtigheid.
Kijk, allen die woedend op je zijn, worden beschaamd en te schande.
Wie met je twisten, worden als niets en gaan verloren.
Wie met je twisten, worden als niets en gaan verloren.
Je zult hen zoeken, maar niet vinden.
Wie ruzie met je maken, worden als niets, en wie oorlog tegen je voeren, als lucht.
Wie ruzie met je maken, worden als niets, en wie oorlog tegen je voeren, als lucht.
Want ik, de HEERE, je God, grijp je rechterhand.
Ik zeg tegen je: wees niet bang, ik help je.
Ik zeg tegen je: wees niet bang, ik help je.
Wees niet bang, wormpje Jakob, volkje Israël.
Ik help je, zegt de HEERE, en je Verlosser is de Heilige van Israël.
Ik help je, zegt de HEERE, en je Verlosser is de Heilige van Israël.
Kijk, ik maak van jou een scherpe nieuwe dorsslee met scherpe pinnen.
Je zult bergen dorsen en vermalen, en heuvels als kaf maken.
Je zult bergen dorsen en vermalen, en heuvels als kaf maken.
Je zult ze wannen, de wind neemt ze mee en de storm verstrooit ze.
Maar jij zult juichen in de HEERE en je beroemen op de Heilige van Israël.
Maar jij zult juichen in de HEERE en je beroemen op de Heilige van Israël.
De armen en behoeftigen zoeken water, maar er is geen.
Hun tong versmacht van dorst.
Ik, de HEERE, zal hen verhoren.
Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
Hun tong versmacht van dorst.
Ik, de HEERE, zal hen verhoren.
Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
Ik zal rivieren openen op de kale hoogten en bronnen in de dalen.
Ik maak de woestijn tot een waterplas en het dorre land tot waterbronnen.
Ik maak de woestijn tot een waterplas en het dorre land tot waterbronnen.
Ik plant in de woestijn de ceder, de acacia, de mirte en de olijfboom.
In de wildernis zet ik de cipres, de olm en de buksboom bij elkaar.
In de wildernis zet ik de cipres, de olm en de buksboom bij elkaar.
Zo zullen zij zien en erkennen, overwegen en begrijpen.
Dan weten zij dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft en dat de Heilige van Israël het geschapen heeft.
Dan weten zij dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft en dat de Heilige van Israël het geschapen heeft.
Breng jullie zaak naar voren
Breng jullie zaak naar voren, zegt de HEERE.
Kom met jullie sterkste bewijzen, zegt de Koning van Jakob.
Kom met jullie sterkste bewijzen, zegt de Koning van Jakob.
Laat hen maar naar voren komen en ons vertellen wat er gaat gebeuren.
Vertel ons de vroegere dingen, zodat wij ze ter harte nemen en het einde ervan weten.
Of laat ons horen wat komen gaat.
Vertel ons de vroegere dingen, zodat wij ze ter harte nemen en het einde ervan weten.
Of laat ons horen wat komen gaat.
Vertel wat hierna komt, zodat wij weten dat jullie goden zijn.
Doe iets goeds of iets kwaads, zodat wij verbaasd staan en samen toekijken.
Doe iets goeds of iets kwaads, zodat wij verbaasd staan en samen toekijken.
Kijk, jullie zijn minder dan niets en jullie werk is nietig.
Wie jullie kiest, is een gruwel.
Wie jullie kiest, is een gruwel.
Ik laat iemand uit het noorden opkomen, en hij komt van waar de zon opgaat.
Hij zal mijn naam aanroepen.
Hij loopt over heersers heen als over leem, zoals een pottenbakker klei treedt.
Hij zal mijn naam aanroepen.
Hij loopt over heersers heen als over leem, zoals een pottenbakker klei treedt.
Wie heeft dit vanaf het begin verteld, zodat wij het weten?
Wie zei het vooraf, zodat wij zeggen: hij heeft gelijk?
Niemand vertelde het, niemand liet het horen, niemand hoorde jullie woorden.
Wie zei het vooraf, zodat wij zeggen: hij heeft gelijk?
Niemand vertelde het, niemand liet het horen, niemand hoorde jullie woorden.
Ik ben de Eerste die tegen Sion zegt: kijk, daar zijn zij!
En aan Jeruzalem geef ik een blijde boodschapper.
En aan Jeruzalem geef ik een blijde boodschapper.
Ik keek rond, maar er was niemand.
Onder hen was geen raadgever die ik iets kon vragen en die mij antwoord zou geven.
Onder hen was geen raadgever die ik iets kon vragen en die mij antwoord zou geven.
Kijk, zij zijn allemaal leegte.
Hun werk is nietig, hun gegoten beelden zijn wind en leegte.
Hun werk is nietig, hun gegoten beelden zijn wind en leegte.