Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jesaja 17

De last van Damaskus

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 2 minuten
Damaskus wordt een puinhoop
De last van Damaskus.
Kijk, Damaskus wordt weggenomen en zal geen stad meer zijn.
Zij wordt een vervallen puinhoop.
De steden van Aroër worden verlaten.
Zij zijn voor de kudden, die daar rustig liggen zonder dat iemand ze opschrikt.
De vesting van Efraïm verdwijnt, en ook het koninkrijk van Damaskus en wat van de Syriërs overblijft.
Het zal hun vergaan als de heerlijkheid van de Israëlieten, zegt de HEERE van de legermachten.
Op die dag zal de heerlijkheid van Jakob mager worden, en het vet van zijn lichaam zal verdwijnen.
Het zal zijn als wanneer een maaier het staande koren pakt en met zijn arm de aren afmaait.
Het zal zijn als iemand die aren leest in het dal Refaïm.
Toch blijft er een nalezing over, zoals bij het schudden van een olijfboom.
Er blijven twee of drie olijven boven in de top, en vier of vijf aan de vruchtbare takken, zegt de HEERE, de God van Israël.
De mens kijkt naar zijn Maker
Op die dag zal de mens kijken naar zijn Maker, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.
Hij zal niet meer kijken naar de altaren die zijn handen maakten.
Ook de gewijde palen en de zonnezuilen van zijn vingers laat hij staan.
Op die dag zullen zijn sterke steden zijn als een verlaten struik en een hoge tak, die men achterliet voor de Israëlieten.
Er zal verwoesting zijn.
Want je bent de God van je redding vergeten en hebt niet gedacht aan de Rots van je sterkte.
Daarom plant je wel mooie planten en zet je er vreemde ranken bij.
Op de dag dat je ze plant, laat je ze groeien, en in de ochtend laat je je zaad bloeien.
Maar de oogst verdwijnt op de dag van ziekte en pijn.
Wee, een gedruis van grote volken die bruisen als bruisende zeeën.
Wee, een geraas van naties die razen als geweldig water.
De naties razen als grote wateren, maar Hij zal hen bestraffen, en zij vluchten ver weg.
Zij worden opgejaagd als kaf op de bergen voor de wind, als distelpluis voor de wervelwind.
Tegen de avond is er schrik, en voor de ochtend zijn zij er niet meer.
Dat is het deel van wie ons beroven, het lot van wie ons plunderen.

Download hoofdstuk als tekstbestand