Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jesaja 14
Hoe ben je gevallen, morgenster
De HEERE ontfermt zich over Jakob
De HEERE zal zich over Jakob ontfermen.
Hij zal Israël opnieuw uitkiezen en hen in hun eigen land zetten.
Vreemdelingen zullen zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen.
Hij zal Israël opnieuw uitkiezen en hen in hun eigen land zetten.
Vreemdelingen zullen zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen.
Volken zullen hen meenemen en thuisbrengen.
Het huis van Israël zal hen in het land van de HEERE in bezit nemen als knechten en dienstmeisjes.
Zij zullen hun bewakers gevangen houden en over hun drijvers heersen.
Het huis van Israël zal hen in het land van de HEERE in bezit nemen als knechten en dienstmeisjes.
Zij zullen hun bewakers gevangen houden en over hun drijvers heersen.
Er komt een dag dat de HEERE je rust geeft van je pijn, je onrust en de harde dienst die je moest doen.
Dan zul je dit spotlied aanheffen over de koning van Babel: Hoe is de drijver tot rust gekomen!
Hoe is de onderdrukking opgehouden!
Hoe is de onderdrukking opgehouden!
De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers.
Die sloeg volken in woede met slagen zonder ophouden.
Die heerste in toorn over naties en vervolgde zonder dat iemand het kon tegenhouden.
Die heerste in toorn over naties en vervolgde zonder dat iemand het kon tegenhouden.
Nu rust de hele aarde en is zij stil.
Men barst uit in gejuich.
Men barst uit in gejuich.
Zelfs de cipressen zijn blij over jou.
De ceders van de Libanon zeggen: Sinds jij daar ligt, komt niemand meer omhoog om ons om te hakken.
De ceders van de Libanon zeggen: Sinds jij daar ligt, komt niemand meer omhoog om ons om te hakken.
Het dodenrijk komt in beweging
Het dodenrijk beneden komt in beweging om je te ontmoeten als je komt.
Het wekt de schimmen voor je op, alle leiders van de aarde.
Het laat alle koningen van de volken van hun troon opstaan.
Het wekt de schimmen voor je op, alle leiders van de aarde.
Het laat alle koningen van de volken van hun troon opstaan.
Zij zullen allemaal antwoorden en tegen je zeggen: Ook jij bent zwak geworden zoals wij.
Jij bent net als wij.
Jij bent net als wij.
Je trots is in het dodenrijk gestort, met het geluid van je harpen.
Maden liggen onder je en wormen bedekken je.
Maden liggen onder je en wormen bedekken je.
Hoe ben je uit de hemel gevallen, morgenster, zoon van de dageraad!
Hoe ben je tegen de grond geslagen, jij die de volken neersloeg!
Hoe ben je tegen de grond geslagen, jij die de volken neersloeg!
Je zei in je hart: Ik zal naar de hemel opstijgen en mijn troon boven de sterren van God verheffen.
Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, ver in het noorden.
Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, ver in het noorden.
Ik zal boven de wolken uitstijgen en gelijk worden aan de Allerhoogste.
Maar je wordt in het dodenrijk neergestoten, tot in de diepste kuil.
Wie je zien, kijken naar je en denken na: Is dat de man die de aarde deed schudden en koninkrijken deed beven?
Die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden verwoestte, die zijn gevangenen niet naar huis liet gaan?
Alle koningen van de volken liggen met eer begraven, ieder in zijn eigen graf.
Maar jij bent uit je graf geworpen als een verafschuwde tak.
Je ligt bedekt onder gedoden die door het zwaard zijn doorstoken, die in een steenkuil neerdalen, als een vertrapt lijk.
Je ligt bedekt onder gedoden die door het zwaard zijn doorstoken, die in een steenkuil neerdalen, als een vertrapt lijk.
Je wordt niet bij hen begraven, want je hebt je land verwoest en je volk gedood.
Het nageslacht van boosdoeners wordt nooit meer genoemd.
Het nageslacht van boosdoeners wordt nooit meer genoemd.
Maak de slachtbank klaar voor zijn kinderen, om de schuld van hun vaderen.
Zij mogen niet opstaan, de aarde erven en de wereld vol steden zetten.
Zij mogen niet opstaan, de aarde erven en de wereld vol steden zetten.
Assur en Filistea
Ik zal tegen hen opstaan, zegt de HEERE van de legermachten.
Ik zal van Babel de naam en de rest uitroeien, de zoon en de kleinzoon, zegt de HEERE.
Ik zal van Babel de naam en de rest uitroeien, de zoon en de kleinzoon, zegt de HEERE.
Ik maak het tot bezit van nachtuilen en tot waterpoelen.
Ik veeg het weg met de bezem van de vernietiging, zegt de HEERE van de legermachten.
Ik veeg het weg met de bezem van de vernietiging, zegt de HEERE van de legermachten.
De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Wat ik bedacht heb, gebeurt.
Wat ik van plan ben, komt er.
Wat ik van plan ben, komt er.
Ik zal Assur in mijn land verbreken en hem op mijn bergen vertrappen.
Dan gaat zijn juk van hen af en zijn last van hun schouder.
Dan gaat zijn juk van hen af en zijn last van hun schouder.
Dit is het plan dat over de hele aarde besloten is, en dit is de hand die over alle volken is uitgestrekt.
De HEERE van de legermachten heeft het besloten, wie zal het dan breken?
Zijn hand is uitgestrekt, wie zal die dan keren?
Zijn hand is uitgestrekt, wie zal die dan keren?
In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
Wees niet blij, heel Filistea, dat de stok die je sloeg gebroken is.
Want uit de wortel van de slang komt een gifslang voort, en haar vrucht is een vurige vliegende draak.
Want uit de wortel van de slang komt een gifslang voort, en haar vrucht is een vurige vliegende draak.
De eerstgeborenen van de armen zullen weiden en de behoeftigen zullen veilig liggen.
Maar jouw wortel zal ik door honger doden, en wie van jou overblijft, zal hij ombrengen.
Maar jouw wortel zal ik door honger doden, en wie van jou overblijft, zal hij ombrengen.
Huil, poort!
Schreeuw, stad!
Heel Filistea smelt weg.
Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft achter in zijn gelederen.
Schreeuw, stad!
Heel Filistea smelt weg.
Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft achter in zijn gelederen.
Wat antwoordt men dan de boden van het volk?
Dat de HEERE Sion gegrond heeft, en dat de verdrukten van Zijn volk daar een toevlucht vinden.
Dat de HEERE Sion gegrond heeft, en dat de verdrukten van Zijn volk daar een toevlucht vinden.