Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 27

Het juk op de hals

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Banden en jukken
In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE tot Jeremia.
Dit zei de HEERE tegen mij: Maak banden en jukken en leg die op je hals.
Stuur ze naar de koning van Edom, de koning van Moab, de koning van de Ammonieten, de koning van Tyrus en de koning van Sidon.
Doe dat door de boden die naar Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem komen.

Draag hun op om tegen hun heren te zeggen: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël.
Ik heb de aarde gemaakt, de mens en het vee op de aardbodem, door mijn grote kracht en mijn uitgestrekte arm.
Ik geef het aan wie het in mijn ogen toekomt.

Nu heb ik al deze landen in de hand van Nebukadnezar gegeven, de koning van Babel, mijn knecht.
Zelfs de dieren van het veld heb ik hem gegeven om hem te dienen.

Alle volken zullen hem dienen, en zijn zoon en zijn kleinzoon, tot ook de tijd van zijn eigen land komt.
Dan zullen machtige volken en grote koningen hem laten dienen.

Er is misschien een volk of koninkrijk dat Nebukadnezar, de koning van Babel, niet dient.
Wie zijn hals niet onder zijn juk legt, zal ik bezoeken, zegt de HEERE.
Ik doe dat met zwaard, honger en pest, tot ik hen door zijn hand vernietigd heb.

Luister niet naar jullie profeten, waarzeggers, dromers, bezweerders en tovenaars, die tegen jullie zeggen dat jullie de koning van Babel niet hoeven te dienen.
Want zij profeteren jullie leugens, zodat jullie ver uit je land gebracht worden.
Zo stoot ik jullie weg en komen jullie om.

Maar het volk dat zijn hals onder het juk van de koning van Babel brengt en hem dient, laat ik in zijn eigen land.
Het zal het land bebouwen en er wonen.

Dien de koning van Babel
Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, met dezelfde woorden.
Ik zei: breng je hals onder het juk van de koning van Babel.
Dien hem en zijn volk, dan zullen jullie leven.

Waarom zouden jij en je volk sterven door zwaard, honger en pest?
Zo heeft de HEERE gesproken over het volk dat de koning van Babel niet dient.

Luister niet naar de woorden van de profeten die tegen jullie zeggen dat jullie de koning van Babel niet hoeven te dienen.
Want zij profeteren jullie leugens.

Want ik heb hen niet gestuurd, zegt de HEERE.
Zij profeteren vals in mijn naam, zodat ik jullie wegstoot en jullie omkomen, jullie en de profeten die voor jullie profeteren.

Ook sprak ik tot de priesters en tot heel dit volk.
Ik zei: dit zegt de HEERE.
Luister niet naar de woorden van jullie profeten, die zeggen dat de voorwerpen uit het huis van de HEERE nu snel uit Babel terugkomen.
Want zij profeteren jullie leugens.

Luister niet naar hen, maar dien de koning van Babel, dan zullen jullie leven.
Waarom zou deze stad een woestenij worden?

Als zij werkelijk profeten zijn en het woord van de HEERE bij hen is, laat hen dan bidden tot de HEERE van de legermachten.
Laten zij bidden voor de voorwerpen die nog over zijn in het huis van de HEERE, in het paleis en in Jeruzalem.
Die moeten niet naar Babel gaan.

Want dit zegt de HEERE van de legermachten over de zuilen, de zee en de onderstellen.
Hij spreekt ook over de rest van de voorwerpen die in deze stad zijn overgebleven.

Nebukadnezar, de koning van Babel, nam ze niet mee.
Hij voerde toen Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, uit Jeruzalem naar Babel weg, met alle edelen van Juda.

Ja, dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël.
Hij spreekt over de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van de HEERE, in het paleis en in Jeruzalem.

Zij zullen naar Babel gebracht worden en daar blijven tot de dag dat ik naar hen omzie, zegt de HEERE.
Dan zal ik ze laten halen en naar deze plaats terugbrengen.

Download hoofdstuk als tekstbestand