Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 2
Twee kwade dingen
De liefde van je jeugd
Het woord van de HEERE kwam tot mij.
Hij zei: Ga en roep het uit voor de oren van Jeruzalem: dit zegt de HEERE.
Ik denk aan de trouw van je jeugd, aan de liefde van je bruidstijd, toen je mij volgde in de woestijn, in onbezaaid land.
Ik denk aan de trouw van je jeugd, aan de liefde van je bruidstijd, toen je mij volgde in de woestijn, in onbezaaid land.
Israël was heilig voor de HEERE, de eerste vrucht van Zijn oogst.
Wie ervan aten, werden schuldig; onheil kwam over hen, zegt de HEERE.
Wie ervan aten, werden schuldig; onheil kwam over hen, zegt de HEERE.
Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob en alle families van het huis van Israël.
Dit zegt de HEERE: welk onrecht vonden jullie vaderen bij mij, dat zij zo ver van mij wegliepen?
Zij liepen achter leegte aan en werden zelf leeg.
Zij liepen achter leegte aan en werden zelf leeg.
Zij vroegen niet: waar is de HEERE, die ons uit Egypte bracht?
Hij leidde ons door de woestijn, door een land van steppen en kuilen, van dorheid en schaduw van de dood.
Daar ging niemand doorheen en woonde geen mens.
Hij leidde ons door de woestijn, door een land van steppen en kuilen, van dorheid en schaduw van de dood.
Daar ging niemand doorheen en woonde geen mens.
Ik bracht jullie in een vruchtbaar land om de vruchten en het goede ervan te eten.
Maar toen jullie er kwamen, maakten jullie mijn land onrein en mijn erfdeel tot een gruwel.
Maar toen jullie er kwamen, maakten jullie mijn land onrein en mijn erfdeel tot een gruwel.
De priesters vroegen niet: waar is de HEERE?
Wie de wet hanteerden, kenden mij niet.
De herders kwamen tegen mij in opstand, en de profeten profeteerden bij Baäl en liepen achter nutteloze dingen aan.
Wie de wet hanteerden, kenden mij niet.
De herders kwamen tegen mij in opstand, en de profeten profeteerden bij Baäl en liepen achter nutteloze dingen aan.
Daarom zal ik nog met jullie twisten, zegt de HEERE, en ook met jullie kleinkinderen.
Ga maar naar de eilanden van de Chitteeërs en kijk.
Stuur naar Kedar en let goed op.
Kijk of zoiets ooit gebeurd is.
Stuur naar Kedar en let goed op.
Kijk of zoiets ooit gebeurd is.
Heeft ooit een volk zijn goden ingeruild, terwijl het geen goden zijn?
Toch heeft mijn volk zijn Eer ingeruild voor wat niets oplevert.
Toch heeft mijn volk zijn Eer ingeruild voor wat niets oplevert.
Wees ontzet hierover, hemel, huiver en sta versteld, zegt de HEERE.
Want mijn volk heeft twee kwade dingen gedaan.
Zij hebben mij verlaten, de bron van levend water, om zelf bakken uit te hakken, gebarsten bakken die geen water houden.
Zij hebben mij verlaten, de bron van levend water, om zelf bakken uit te hakken, gebarsten bakken die geen water houden.
Waarom twist je met mij?
Is Israël dan een slaaf of een huisgeboren knecht?
Waarom is hij dan een prooi geworden?
Waarom is hij dan een prooi geworden?
Jonge leeuwen brulden over hem en lieten hun stem horen.
Zij maakten zijn land tot een woestenij.
Zijn steden zijn verbrand, zodat niemand er meer woont.
Zij maakten zijn land tot een woestenij.
Zijn steden zijn verbrand, zodat niemand er meer woont.
Ook de mensen van Nof en Tachpanhes hebben je schedel kaalgevreten.
Doe je dit niet zelf, doordat je de HEERE, je God, verlaat terwijl Hij je op de weg leidt?
En nu, wat heb je te zoeken op de weg naar Egypte, om het water van de Nijl te drinken?
Wat heb je te zoeken op de weg naar Assur, om het water van de rivier te drinken?
Wat heb je te zoeken op de weg naar Assur, om het water van de rivier te drinken?
Je eigen boosheid zal je straffen en je afkeer zal je terechtwijzen.
Weet dan en zie hoe kwaad en bitter het is dat je de HEERE, je God, verlaat.
Je hebt geen ontzag voor mij, zegt de Heere, de HEERE van de legermachten.
Weet dan en zie hoe kwaad en bitter het is dat je de HEERE, je God, verlaat.
Je hebt geen ontzag voor mij, zegt de Heere, de HEERE van de legermachten.
Lang geleden brak ik je juk en verscheurde ik je banden.
Maar je zei: ik wil niet dienen.
Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom lag je als een hoer.
Maar je zei: ik wil niet dienen.
Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom lag je als een hoer.
Ik had je toch geplant als een edele wijnstok, van volkomen zuiver zaad.
Hoe ben je dan voor mij veranderd in wilde ranken van een vreemde wijnstok?
Hoe ben je dan voor mij veranderd in wilde ranken van een vreemde wijnstok?
Al zou je je wassen met loog en veel zeep gebruiken, toch blijft je schuld voor mij zichtbaar, zegt de Heere HEERE.
Hoe kun je zeggen: ik ben niet onrein, ik ben de Baäls niet achterna gelopen?
Kijk naar je weg in het dal en zie wat je gedaan hebt, jij snelle jonge kameel die alle kanten op rent.
Kijk naar je weg in het dal en zie wat je gedaan hebt, jij snelle jonge kameel die alle kanten op rent.
Zij is een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar lust de wind opsnuift.
Wie houdt haar tegen?
Wie haar zoeken, hoeven zich niet af te matten; in haar maand vinden zij haar.
Wie houdt haar tegen?
Wie haar zoeken, hoeven zich niet af te matten; in haar maand vinden zij haar.
Houd je voet terug, zodat hij niet blootloopt, en je keel van dorst.
Maar je zegt: het heeft geen zin.
Nee, ik houd van vreemden en die zal ik volgen.
Maar je zegt: het heeft geen zin.
Nee, ik houd van vreemden en die zal ik volgen.
Beschaamd als een dief
Zoals een dief zich schaamt als hij betrapt wordt, zo staat het huis van Israël beschaamd.
Dat geldt hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten.
Dat geldt hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten.
Zij zeggen tegen een stuk hout: jij bent mijn vader, en tegen een steen: jij hebt mij verwekt.
Zij keren mij hun rug toe en niet hun gezicht.
Maar in tijden van onheil zeggen zij: sta op en red ons.
Zij keren mij hun rug toe en niet hun gezicht.
Maar in tijden van onheil zeggen zij: sta op en red ons.
Waar zijn dan je goden die je voor jezelf gemaakt hebt?
Laat hen opstaan als zij je in tijden van onheil kunnen redden.
Want je goden zijn zo talrijk als je steden, Juda.
Laat hen opstaan als zij je in tijden van onheil kunnen redden.
Want je goden zijn zo talrijk als je steden, Juda.
Waarom klaag je mij aan?
Jullie zijn allemaal tegen mij in opstand gekomen, zegt de HEERE.
Jullie zijn allemaal tegen mij in opstand gekomen, zegt de HEERE.
Tevergeefs heb ik jullie kinderen geslagen; zij namen geen tucht aan.
Jullie eigen zwaard heeft je profeten verslonden als een verscheurende leeuw.
Jullie eigen zwaard heeft je profeten verslonden als een verscheurende leeuw.
Jullie van deze tijd, let op het woord van de HEERE!
Ben ik voor Israël een woestijn geweest of een land van diepe duisternis?
Waarom zegt mijn volk dan: wij gaan onze eigen gang, wij komen niet meer bij U?
Ben ik voor Israël een woestijn geweest of een land van diepe duisternis?
Waarom zegt mijn volk dan: wij gaan onze eigen gang, wij komen niet meer bij U?
Vergeet een jonge vrouw haar sieraden of een bruid haar gordel?
Toch is mijn volk mij vergeten, dagen zonder tal.
Toch is mijn volk mij vergeten, dagen zonder tal.
Wat maak je je weg goed om liefde te zoeken!
Zelfs de slechtste vrouwen heb je je wegen geleerd.
Zelfs de slechtste vrouwen heb je je wegen geleerd.
Ja, aan je zomen zit het bloed van onschuldige armen.
Ik hoefde er niet naar te graven; het lag overal open.
Ik hoefde er niet naar te graven; het lag overal open.
Toch zeg je: ik ben onschuldig, Zijn toorn is immers van mij afgekeerd.
Kijk, ik zal met je rechten, omdat je zegt: ik heb niet gezondigd.
Kijk, ik zal met je rechten, omdat je zegt: ik heb niet gezondigd.
Waarom loop je zo veel rond en verander je steeds van weg?
Ook door Egypte word je beschaamd, zoals je door Assur beschaamd bent.
Ook door Egypte word je beschaamd, zoals je door Assur beschaamd bent.
Ook daarvandaan zul je weggaan met je handen op je hoofd.
Want de HEERE heeft verworpen op wie je vertrouwde; met hen zul je niet slagen.
Want de HEERE heeft verworpen op wie je vertrouwde; met hen zul je niet slagen.