Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Nieuwe Testament

Handelingen 26

Paulus voor koning Agrippa

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Paulus vertelt over zijn leven
Agrippa zei tegen Paulus: U mag voor uzelf spreken.
Toen stak Paulus zijn hand uit en verdedigde zich:
Koning Agrippa, ik ben blij dat ik mij vandaag voor u mag verdedigen tegen alles waarvan de Joden mij beschuldigen.
Dat geldt vooral omdat u alle gewoonten en vragen onder de Joden kent.
Daarom vraag ik u geduldig naar mij te luisteren.

Alle Joden weten hoe ik vanaf mijn jeugd geleefd heb, vanaf het begin onder mijn volk en in Jeruzalem.
Zij kennen mij al lang en kunnen het bevestigen, als zij dat willen.
Ik heb geleefd als farizeeër, naar de strengste richting van onze godsdienst.

Nu sta ik terecht om de hoop op de belofte die God aan onze voorouders gedaan heeft.
Onze twaalf stammen hopen die belofte te bereiken, terwijl zij God dag en nacht dienen.
Om die hoop word ik door de Joden beschuldigd, koning.

Waarom vinden jullie het ongelofelijk dat God de doden opwekt?
Zelf dacht ik echt dat ik veel moest doen tegen de Naam van Jezus uit Nazareth.
Dat heb ik in Jeruzalem ook gedaan.
Met volmacht van de overpriesters zette ik veel heiligen gevangen.
Als zij gedood werden, stemde ik daarmee in.

In alle synagogen strafte ik hen vaak en dwong ik hen te lasteren.
Ik was zo woedend op hen dat ik hen zelfs tot in steden buiten het land vervolgde.

De ontmoeting op de weg naar Damaskus
Daarvoor reisde ik ook naar Damaskus, met volmacht en opdracht van de overpriesters.
Midden op de dag zag ik onderweg een licht uit de hemel, koning.
Het was feller dan de zon en scheen om mij en mijn reisgenoten heen.

Wij vielen allemaal op de grond.
Ik hoorde een stem die in het Hebreeuws tegen mij zei: Saul, Saul, waarom vervolg je mij?
Het is hard voor je om tegen de prikkels te schoppen.

Ik zei: Wie bent U, Heere?
De Heere zei: Ik ben Jezus, die jij vervolgt.

Maar sta op en ga op je voeten staan.
Hiervoor ben ik aan je verschenen.
Ik stel je aan als dienaar en getuige van wat je gezien hebt en van wat ik je nog zal laten zien.

Ik zal je redden uit de handen van dit volk en van de andere volken, naar wie ik je nu stuur.
Je moet hun ogen openen.
Zij moeten zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God.
Dan krijgen zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in mij.

Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse visioen niet ongehoorzaam geweest.
Ik heb eerst in Damaskus en in Jeruzalem gepredikt, daarna in heel Judea en aan de andere volken.
Ik riep hen op zich te bekeren tot God en daden te doen die bij de bekering passen.

Daarom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en geprobeerd mij te doden.
Maar God heeft mij geholpen, en tot op vandaag sta ik hier.
Ik getuig voor klein en groot en zeg niets anders dan wat de profeten en Mozes gezegd hebben dat er zou gebeuren.

Zij zeiden dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de doden zou opstaan.
Zo zou Hij een licht verkondigen aan dit volk en aan de andere volken.

Festus en Agrippa reageren
Terwijl hij dit tot zijn verdediging zei, riep Festus met luide stem: Je raaskalt, Paulus!
Al die geleerdheid maakt je gek.

Maar hij zei: Ik raaskal niet, geachte Festus.
Ik spreek woorden van waarheid en gezond verstand.

De koning weet van deze dingen, en daarom spreek ik vrijmoedig tegen hem.
Ik geloof niet dat iets hiervan hem ontgaan is, want dit is niet in een hoek gebeurd.

Gelooft u de profeten, koning Agrippa?
Ik weet dat u ze gelooft.

Agrippa zei tegen Paulus: U wilt mij wel erg snel tot christen maken.
Paulus zei: Ik zou God willen bidden dat u en iedereen die mij vandaag hoort, zou worden zoals ik, behalve dan deze boeien.
Toen stond de koning op, en ook de stadhouder, Bernice en de mensen die bij hen zaten.
Zij gingen apart staan en zeiden tegen elkaar: Deze man doet niets dat de dood of gevangenschap verdient.
Agrippa zei tegen Festus: Deze man had vrijgelaten kunnen worden, als hij zich niet op de keizer had beroepen.

Download hoofdstuk als tekstbestand