Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 47
Jakobs familie vestigt zich in Egypte
Jozefs broers verschijnen voor Farao
Jozef ging naar Farao en meldde: Mijn vader en broers zijn vanuit Kanaän gekomen met hun schapen, runderen en al hun bezittingen.
Ze zijn nu in Gosen.
Ze zijn nu in Gosen.
Hij koos vijf van zijn broers uit en bracht hen bij Farao.
Farao vroeg aan zijn broers: Wat is uw beroep?
Ze antwoordden Farao: Wij, uw dienaren, zijn schaapherders, net als onze vaders.
Ze antwoordden Farao: Wij, uw dienaren, zijn schaapherders, net als onze vaders.
Ze zeiden verder tegen Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen.
In Kanaän is de hongersnood zo zwaar dat er voor de kudden van uw dienaren geen weidegrond meer is.
Laat uw dienaren daarom alstublieft in Gosen wonen.
In Kanaän is de hongersnood zo zwaar dat er voor de kudden van uw dienaren geen weidegrond meer is.
Laat uw dienaren daarom alstublieft in Gosen wonen.
Farao zei tegen Jozef: Uw vader en uw broers zijn bij u gekomen.
Heel Egypte ligt voor u open.
Laat uw vader en broers in het beste deel van het land wonen.
Laat hen in Gosen wonen.
Als u onder hen bekwame mannen kent, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee.
Laat uw vader en broers in het beste deel van het land wonen.
Laat hen in Gosen wonen.
Als u onder hen bekwame mannen kent, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee.
Jakob verschijnt voor Farao
Jozef bracht zijn vader Jakob bij Farao.
Jakob zegende Farao.
Jakob zegende Farao.
Farao vroeg aan Jakob: Hoeveel jaren hebt u al geleefd?
Jakob antwoordde Farao: Ik leef nu honderddertig jaar als vreemdeling.
Mijn levensjaren zijn weinig en zwaar geweest.
Ik heb nog niet zo lang geleefd als mijn voorouders tijdens hun leven als vreemdelingen.
Mijn levensjaren zijn weinig en zwaar geweest.
Ik heb nog niet zo lang geleefd als mijn voorouders tijdens hun leven als vreemdelingen.
Jakob zegende Farao en vertrok.
Jozef gaf Jakob en zijn broers woonruimte en grondbezit in het beste deel van Egypte, in het gebied Rameses.
Zo had Farao het bevolen.
Zo had Farao het bevolen.
Jozef gaf zijn vader, zijn broers en heel zijn vaders familie genoeg brood, ook voor de kleine kinderen.
De Egyptenaren ruilen hun geld en vee voor voedsel
In het hele land was geen voedsel meer, want de hongersnood was zeer zwaar.
De inwoners van Egypte en Kanaän raakten erdoor uitgeput.
De inwoners van Egypte en Kanaän raakten erdoor uitgeput.
Jozef verzamelde al het geld in Egypte en Kanaän waarmee de mensen graan kochten.
Hij bracht het geld naar Farao's paleis.
Hij bracht het geld naar Farao's paleis.
Toen het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen alle Egyptenaren naar Jozef.
Ze zeiden: Geef ons voedsel!
Waarom zouden wij voor uw ogen sterven?
Ons geld is op.
Ze zeiden: Geef ons voedsel!
Waarom zouden wij voor uw ogen sterven?
Ons geld is op.
Jozef antwoordde: Breng dan jullie vee.
Als het geld op is, geef ik jullie voedsel in ruil voor jullie vee.
Als het geld op is, geef ik jullie voedsel in ruil voor jullie vee.
Ze brachten hun vee naar Jozef.
Hij gaf hun voedsel in ruil voor paarden, schapen, runderen en ezels.
Zo voorzag hij hen dat hele jaar van voedsel in ruil voor al hun vee.
Hij gaf hun voedsel in ruil voor paarden, schapen, runderen en ezels.
Zo voorzag hij hen dat hele jaar van voedsel in ruil voor al hun vee.
Het land wordt eigendom van Farao
Toen dat jaar voorbij was, kwamen zij het volgende jaar weer naar Jozef.
Ze zeiden: Wij verbergen niet voor mijn heer dat ons geld op is en al ons vee nu van mijn heer is.
Voor mijn heer blijft niets anders over dan ons lichaam en ons land.
Ze zeiden: Wij verbergen niet voor mijn heer dat ons geld op is en al ons vee nu van mijn heer is.
Voor mijn heer blijft niets anders over dan ons lichaam en ons land.
Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, samen met ons land?
Koop ons en ons land in ruil voor voedsel.
Dan zullen wij Farao dienen en zal ons land hem toebehoren.
Geef ons zaaigoed, zodat wij blijven leven en het land niet onbewoond raakt.
Koop ons en ons land in ruil voor voedsel.
Dan zullen wij Farao dienen en zal ons land hem toebehoren.
Geef ons zaaigoed, zodat wij blijven leven en het land niet onbewoond raakt.
Zo kocht Jozef voor Farao al het land in Egypte.
Iedere Egyptenaar verkocht zijn akker, omdat de hongersnood hen zwaar trof.
Daardoor werd het land eigendom van Farao.
Iedere Egyptenaar verkocht zijn akker, omdat de hongersnood hen zwaar trof.
Daardoor werd het land eigendom van Farao.
Jozef verplaatste de bevolking naar de steden, van de ene grens van Egypte tot de andere.
Alleen het land van de priesters kocht hij niet.
Zij kregen van Farao een vaste hoeveelheid voedsel en leefden daarvan.
Daarom verkochten zij hun land niet.
Zij kregen van Farao een vaste hoeveelheid voedsel en leefden daarvan.
Daarom verkochten zij hun land niet.
Farao krijgt een vijfde deel van de oogst
Jozef zei tegen het volk: Vandaag heb ik jullie en jullie land voor Farao gekocht.
Hier is zaaigoed voor jullie.
Zaai daarmee het land in.
Hier is zaaigoed voor jullie.
Zaai daarmee het land in.
Bij de oogst moeten jullie een vijfde deel aan Farao geven.
De andere vier delen zijn voor jullie: als zaaigoed, als voedsel voor jullie en jullie huisgenoten, en als eten voor jullie kinderen.
De andere vier delen zijn voor jullie: als zaaigoed, als voedsel voor jullie en jullie huisgenoten, en als eten voor jullie kinderen.
Zij zeiden: U hebt ons leven gered.
Laat mijn heer ons alstublieft goedgezind zijn.
Wij zullen Farao's dienaren zijn.
Laat mijn heer ons alstublieft goedgezind zijn.
Wij zullen Farao's dienaren zijn.
Jozef maakte hiervan een wet die tot op deze dag in Egypte geldt: Farao ontvangt een vijfde deel.
Alleen het land van de priesters werd geen eigendom van Farao.
Alleen het land van de priesters werd geen eigendom van Farao.
Israël groeit in Gosen
Israël woonde in Egypte, in Gosen.
Ze kregen daar bezit, werden vruchtbaar en groeiden sterk in aantal.
Ze kregen daar bezit, werden vruchtbaar en groeiden sterk in aantal.
Jakob leefde zeventien jaar in Egypte.
In totaal werd hij honderdzevenenveertig jaar oud.
In totaal werd hij honderdzevenenveertig jaar oud.
Jozef zweert dat hij Jakob niet in Egypte zal begraven
Toen de tijd naderde dat Israël zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef.
Hij zei: Als je mij goedgezind bent, leg dan je hand onder mijn heup.
Toon mij liefde en trouw: begraaf mij niet in Egypte.
Hij zei: Als je mij goedgezind bent, leg dan je hand onder mijn heup.
Toon mij liefde en trouw: begraaf mij niet in Egypte.
Laat mij bij mijn voorouders rusten.
Breng mij daarom uit Egypte weg en begraaf mij in hun graf.
Jozef antwoordde: Ik zal doen wat u hebt gevraagd.
Breng mij daarom uit Egypte weg en begraaf mij in hun graf.
Jozef antwoordde: Ik zal doen wat u hebt gevraagd.
Jakob zei: Zweer het mij!
Jozef zwoer het hem.
Daarna boog Israël zich neer bij het hoofdeinde van het bed.
Jozef zwoer het hem.
Daarna boog Israël zich neer bij het hoofdeinde van het bed.