Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 44
De zilveren beker in Benjamins zak
De beker wordt in Benjamins zak gevonden
Jozef gaf de beheerder van zijn huis opdracht: Vul de zakken van deze mannen met zoveel voedsel als ze kunnen dragen.
Leg ieders geld boven in zijn zak.
Leg ieders geld boven in zijn zak.
Leg ook mijn zilveren beker boven in de zak van de jongste, samen met zijn geld voor het graan.
De beheerder deed wat Jozef had gezegd.
De beheerder deed wat Jozef had gezegd.
Toen het de volgende ochtend licht werd, mochten de mannen met hun ezels vertrekken.
Ze waren de stad uit en nog niet ver weg.
Toen zei Jozef tegen zijn beheerder: Ga snel achter die mannen aan.
Wanneer je hen hebt ingehaald, zeg dan: Waarom hebben jullie kwaad voor goed teruggegeven?
Toen zei Jozef tegen zijn beheerder: Ga snel achter die mannen aan.
Wanneer je hen hebt ingehaald, zeg dan: Waarom hebben jullie kwaad voor goed teruggegeven?
Dit is toch de beker waaruit mijn meester drinkt en waarmee hij verborgen dingen kan ontdekken?
Jullie hebben verkeerd gehandeld.
Jullie hebben verkeerd gehandeld.
De beheerder haalde hen in en zei precies wat Jozef hem had opgedragen.
Ze antwoordden hem: Waarom zegt mijn heer zulke dingen?
Uw dienaren zouden zoiets nooit doen.
Uw dienaren zouden zoiets nooit doen.
Kijk, we hebben zelfs het geld teruggebracht dat we boven in onze zakken vonden.
We brachten het vanuit Kanaän naar u terug.
Waarom zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw meester stelen?
We brachten het vanuit Kanaän naar u terug.
Waarom zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw meester stelen?
Als de beker bij een van uw dienaren gevonden wordt, moet die sterven.
Bovendien zullen wij allemaal slaven van mijn heer worden.
Bovendien zullen wij allemaal slaven van mijn heer worden.
De beheerder zei: Goed, laten we het doen zoals jullie hebben gezegd.
Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn.
De rest van jullie is onschuldig.
Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn.
De rest van jullie is onschuldig.
Iedereen zette snel zijn zak op de grond en maakte hem open.
De beheerder doorzocht de zakken.
Hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste.
De beker werd in Benjamins zak gevonden.
Hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste.
De beker werd in Benjamins zak gevonden.
Toen scheurden de broers hun kleren.
Iedereen laadde zijn zak weer op zijn ezel.
Daarna keerden ze terug naar de stad.
Iedereen laadde zijn zak weer op zijn ezel.
Daarna keerden ze terug naar de stad.
De broers staan opnieuw voor Jozef
Juda en zijn broers kwamen in Jozefs huis, waar hij nog was.
Ze vielen voor hem op de grond.
Ze vielen voor hem op de grond.
Jozef vroeg hun: Wat hebben jullie gedaan?
Weten jullie niet dat iemand als ik zulke dingen zeker kan ontdekken?
Weten jullie niet dat iemand als ik zulke dingen zeker kan ontdekken?
Juda antwoordde: Wat kunnen wij tegen mijn heer zeggen?
Wat kunnen wij nog aanvoeren om onze onschuld te bewijzen?
God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht.
Wij zijn nu uw slaven, zowel wij als degene bij wie de beker is gevonden.
Wat kunnen wij nog aanvoeren om onze onschuld te bewijzen?
God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht.
Wij zijn nu uw slaven, zowel wij als degene bij wie de beker is gevonden.
Jozef zei: Zoiets zal ik nooit doen!
Alleen de man bij wie de beker is gevonden, wordt mijn slaaf.
Ga allemaal in vrede terug naar jullie vader.
Alleen de man bij wie de beker is gevonden, wordt mijn slaaf.
Ga allemaal in vrede terug naar jullie vader.
Juda pleit voor Benjamin
Toen ging Juda dichter naar Jozef toe en zei: Mijn heer, laat uw dienaar alstublieft iets tegen u zeggen.
Word niet boos op uw dienaar, want u bent als Farao.
Word niet boos op uw dienaar, want u bent als Farao.
Mijn heer vroeg zijn dienaren: Hebben jullie een vader of een broer?
Wij antwoordden mijn heer: We hebben een oude vader en een jonge broer, die op zijn oude dag geboren is.
Zijn broer is dood.
Hij is als enige zoon van zijn moeder overgebleven, en zijn vader houdt van hem.
Zijn broer is dood.
Hij is als enige zoon van zijn moeder overgebleven, en zijn vader houdt van hem.
Toen zei u tegen uw dienaren: Breng hem hierheen, zodat ik hem zelf kan zien.
Wij zeiden tegen mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten.
Als hij zijn vader verlaat, zal zijn vader sterven.
Als hij zijn vader verlaat, zal zijn vader sterven.
Maar u zei tegen uw dienaren: Als jullie jongste broer niet meekomt, mogen jullie mij niet meer onder ogen komen.
Toen wij weer bij uw dienaar, mijn vader, kwamen, vertelden we hem wat mijn heer had gezegd.
Later zei onze vader: Ga terug en koop nog wat voedsel voor ons.
Wij antwoordden: We kunnen alleen teruggaan als onze jongste broer met ons meegaat.
Anders mogen wij die man niet onder ogen komen.
Anders mogen wij die man niet onder ogen komen.
Toen zei uw dienaar, mijn vader, tegen ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gegeven.
De ene is bij mij weggegaan.
Ik zei: Hij is beslist verscheurd!
Ik heb hem sindsdien niet meer gezien.
Ik zei: Hij is beslist verscheurd!
Ik heb hem sindsdien niet meer gezien.
Als jullie ook deze zoon bij mij weghalen en hem iets verschrikkelijks overkomt, brengen jullie mij grijs en vol verdriet in het graf.
Mijn vader is met hart en ziel aan de jongen verbonden.
Stel dat ik nu zonder de jongen bij hem terugkom.
Stel dat ik nu zonder de jongen bij hem terugkom.
Wanneer hij ziet dat de jongen er niet is, zal hij sterven.
Dan brengen uw dienaren onze oude, grijze vader bedroefd in het graf.
Dan brengen uw dienaren onze oude, grijze vader bedroefd in het graf.
Uw dienaar heeft zich namelijk bij mijn vader voor de jongen borg gesteld.
Ik zei: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn hele leven bij mijn vader in de schuld.
Ik zei: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn hele leven bij mijn vader in de schuld.
Laat daarom uw dienaar alstublieft als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van de jongen.
Laat de jongen met zijn broers teruggaan.
Laat de jongen met zijn broers teruggaan.
Hoe kan ik zonder de jongen naar mijn vader teruggaan?
Ik zou niet kunnen aanzien welke ramp mijn vader dan treft.
Ik zou niet kunnen aanzien welke ramp mijn vader dan treft.