Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Genesis 2

De mens in de tuin van Eden

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
De zevende dag
Zo waren de hemel en de aarde voltooid, met alles wat daarin was.
Op de zevende dag had God al Zijn werk afgemaakt.
Op die zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij had gedaan.
God zegende de zevende dag en maakte die dag heilig.
Want op die dag rustte Hij van al Zijn werk: alles wat Hij had geschapen en afgemaakt.
God vormt de mens
Dit is het verhaal van het ontstaan van de hemel en de aarde, toen ze werden geschapen.
De HEERE God maakte toen de aarde en de hemel.
Er waren nog geen struiken op het land.
Veldplanten waren nog niet opgekomen.
De HEERE God had het namelijk nog niet laten regenen op aarde.
Er was ook nog geen mens om de grond te bewerken.
Maar er steeg damp uit de aarde op.
Die damp maakte de hele grond vochtig.
De HEERE God had de mens gevormd uit het stof van de aarde.
Hij blies levensadem in zijn neusgaten.
Zo werd de mens een levend wezen.
De tuin en de rivieren
De HEERE God had ook een tuin geplant in Eden, in het oosten.
Daar zette Hij de mens die Hij had gevormd.
De HEERE God had allerlei bomen uit de grond laten groeien, mooi om te zien en met goed eetbare vruchten.
Midden in de tuin stond de boom van het leven.
Er stond ook de boom van de kennis van goed en kwaad.
Vanuit Eden stroomde een rivier die de tuin van water voorzag.
Verderop splitste die zich in vier rivieren.
De eerste rivier heet Pison.
Die stroomt om het hele land Havila heen, waar goud te vinden is.
Het goud uit dat land is van goede kwaliteit.
Ook het materiaal bedolah en de edelsteen sardonix zijn er te vinden.
De tweede rivier heet Gihon.
Die stroomt om het hele land Cusch heen.
De derde rivier heet Hiddekel en stroomt ten oosten van Assur.
De vierde rivier heet Frath.
De opdracht en het verbod
De HEERE God nam de mens mee en zette hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaken.
De HEERE God gaf de mens dit bevel: Je mag vrij eten van alle bomen in deze tuin.
Maar je mag niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.
Want op de dag dat je daarvan eet, zul je zeker sterven.

Niemand die bij de mens past
De HEERE God had ook gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is.
Ik zal iemand maken die hem helpt en bij hem past.

De HEERE God had alle wilde dieren en alle vogels uit de aarde gemaakt.
Hij bracht ze bij Adam om te zien welke namen Adam hun zou geven.
Adam gaf elk levend wezen een naam, en zo heette het voortaan.
Adam gaf dus namen aan al het vee, alle vogels en alle wilde dieren.
Maar Adam vond niemand die hem kon helpen en bij hem paste.
Man en vrouw
Toen liet de HEERE God Adam diep in slaap vallen.
Terwijl Adam sliep, nam Hij een van zijn ribben weg.
Hij sloot die plek weer met vlees.
Van de rib die Hij uit Adam had genomen, bouwde de HEERE God een vrouw.
Hij bracht haar bij Adam.
Adam zei: Dit is nu bot uit mijn botten en vlees uit mijn vlees!
Ze zal vrouw heten, want ze is uit de man genomen.

Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden.
Samen zullen ze één vlees worden.
Adam en zijn vrouw waren allebei naakt, en ze schaamden zich niet.

Download hoofdstuk als tekstbestand