Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezechiël 31

De ceder die werd omgehakt

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Assur was een prachtige ceder
In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij.
Mensenkind, zeg tegen Farao, de koning van Egypte, en tegen zijn menigte: met wie ben jij te vergelijken in je grootheid?
Kijk, Assur was een ceder op de Libanon, met mooie takken en een schaduwrijke kroon.
Hij was hoog van stam en zijn top stak uit boven de dichte takken.

Het water maakte hem groot en de diepte maakte hem hoog.
Die liet haar stromen rondom de plek van zijn wortels gaan en stuurde haar waterlopen naar alle bomen van het veld.

Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld.
Zijn takken werden talrijk en zijn twijgen lang, door het vele water toen hij uitliep.

Alle vogels van de hemel nestelden in zijn takken.
Alle dieren van het veld kregen jongen onder zijn twijgen.
Alle grote volken zaten in zijn schaduw.

Zo was hij mooi in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken.
Want zijn wortels stonden bij veel water.

De ceders in de tuin van God overtroffen hem niet.
De cipressen waren niet als zijn takken en de platanen niet als zijn twijgen.
Geen boom in de tuin van God was zo mooi als hij.

Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn vele takken, dat alle bomen van Eden in de tuin van God jaloers op hem waren.
Daarom werd hij neergehaald
Daarom zegt de Heere HEERE dit: hij werd trots op zijn hoogte.
Hij stak zijn top uit boven de dichte takken en zijn hart werd hoogmoedig door zijn hoogte.

Daarom gaf ik hem in de hand van de machtigste van de volken, om met hem af te rekenen.
Ik verdreef hem om zijn goddeloosheid.

Vreemden, de wreedste van de volken, hakten hem om en lieten hem liggen.
Zijn takken vielen op de bergen en in alle dalen.
Zijn twijgen braken bij alle stromen van het land.
Alle volken van de aarde gingen weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen.

Alle vogels van de hemel gingen op zijn omgevallen stam zitten.
Alle dieren van het veld lagen tussen zijn twijgen.

Zo mag geen boom bij het water nog trots worden op zijn hoogte.
Zo mag geen boom zijn top nog uitsteken boven de dichte takken.
Geen boom die water drinkt, mag nog op zichzelf staan door zijn hoogte.
Want zij zijn allemaal aan de dood overgegeven, naar de diepte van de aarde, bij de mensen die in de kuil afdalen.

Dit zegt de Heere HEERE: op de dag dat hij afdaalde naar het dodenrijk, liet ik een rouw beginnen.
Om hem bedekte ik de diepte en hield ik haar stromen tegen; het grote water werd gestuit.
Om hem maakte ik de Libanon donker en alle bomen van het veld kwijnden weg.

Van het geluid van zijn val liet ik de volken beven, toen ik hem naar het dodenrijk liet afdalen, bij wie in de kuil afdalen.
Alle bomen van Eden, de mooiste en beste van de Libanon, alle bomen die water drinken, werden getroost in de diepte van de aarde.

Ook zij daalden met hem af naar het dodenrijk, naar wie door het zwaard gedood zijn.
Zij waren zijn arm geweest en hadden in zijn schaduw gezeten tussen de volken.

Met wie ben jij dan te vergelijken in eer en grootheid, tussen de bomen van Eden?
Toch zul je met de bomen van Eden neergehaald worden, naar de diepte van de aarde.
Tussen de onbesnedenen zul je liggen, bij wie door het zwaard gedood zijn.
Dat is Farao met heel zijn menigte, zegt de Heere HEERE.

Download hoofdstuk als tekstbestand