Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Ezechiël 29
De grote krokodil in de Nijl
Mijn rivier is van mij
In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij.
Mensenkind, kijk naar Farao, de koning van Egypte.
Profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.
Profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.
Spreek en zeg: dit zegt de Heere HEERE.
Kijk, ik keer mij tegen je, Farao, koning van Egypte, grote krokodil die tussen zijn rivieren ligt.
Jij zegt: mijn rivier is van mij; ik heb hem zelf gemaakt.
Kijk, ik keer mij tegen je, Farao, koning van Egypte, grote krokodil die tussen zijn rivieren ligt.
Jij zegt: mijn rivier is van mij; ik heb hem zelf gemaakt.
Maar ik zal haken in je kaken slaan.
Ik zal de vissen van je rivieren aan je schubben laten kleven.
Ik zal je uit je rivieren omhoogtrekken, met alle vissen die aan je schubben kleven.
Ik zal de vissen van je rivieren aan je schubben laten kleven.
Ik zal je uit je rivieren omhoogtrekken, met alle vissen die aan je schubben kleven.
Ik zal je achterlaten in de woestijn, jou en alle vissen van je rivieren.
Je zult op het open veld vallen.
Je wordt niet opgeraapt en niet begraven.
Ik geef je als voedsel aan de dieren van de aarde en de vogels van de hemel.
Je zult op het open veld vallen.
Je wordt niet opgeraapt en niet begraven.
Ik geef je als voedsel aan de dieren van de aarde en de vogels van de hemel.
Dan zullen alle bewoners van Egypte weten dat ik de HEERE ben.
Want zij waren voor het volk van Israël een rietstok.
Want zij waren voor het volk van Israël een rietstok.
Als zij je met de hand vastpakten, brak je en scheurde je hun schouder open.
Als zij op je leunden, brak je en liet je hun heupen wankelen.
Als zij op je leunden, brak je en liet je hun heupen wankelen.
Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik breng het zwaard over je.
Ik zal mens en dier bij je uitroeien.
Ik zal mens en dier bij je uitroeien.
Het land Egypte zal een wildernis en een woestenij worden.
Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben.
Want hij zei: de rivier is van mij; ik heb hem gemaakt.
Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben.
Want hij zei: de rivier is van mij; ik heb hem gemaakt.
Daarom, kijk, ik keer mij tegen jou en tegen je rivier.
Ik zal het land Egypte tot een woeste eenzaamheid maken, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Ethiopië.
Ik zal het land Egypte tot een woeste eenzaamheid maken, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Ethiopië.
Geen mensenvoet zal er doorheen gaan en geen dierenpoot zal er doorheen gaan.
Veertig jaar zal het onbewoond zijn.
Veertig jaar zal het onbewoond zijn.
Want ik zal het land Egypte tot een woestenij maken tussen verwoeste landen.
Haar steden zullen veertig jaar een woestenij zijn tussen verwoeste steden.
Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen.
Haar steden zullen veertig jaar een woestenij zijn tussen verwoeste steden.
Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen.
Maar dit zegt de Heere HEERE: na veertig jaar zal ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waarover zij verstrooid zijn.
Ik zal het lot van de Egyptenaren keren en hen terugbrengen naar het land Pathros, hun geboorteland.
Daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn.
Daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn.
Het zal kleiner zijn dan de andere koninkrijken en zich niet meer boven de volken verheffen.
Want ik zal hen klein maken, zodat zij niet over de volken heersen.
Want ik zal hen klein maken, zodat zij niet over de volken heersen.
Het zal voor het volk van Israël geen houvast meer zijn dat hun schuld in herinnering brengt als zij ernaar omkijken.
Dan zullen zij weten dat ik de Heere HEERE ben.
Dan zullen zij weten dat ik de Heere HEERE ben.
Egypte als loon voor Nebukadrezar
In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij.
Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger hard laten werken tegen Tyrus.
Elk hoofd werd kaal en elke schouder geschaafd.
Toch kregen hij en zijn leger geen loon uit Tyrus voor het werk dat hij ertegen gedaan heeft.
Elk hoofd werd kaal en elke schouder geschaafd.
Toch kregen hij en zijn leger geen loon uit Tyrus voor het werk dat hij ertegen gedaan heeft.
Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik geef het land Egypte aan Nebukadrezar, de koning van Babel.
Hij zal haar rijkdom wegdragen, haar buit meenemen en haar plunderen.
Dat zal het loon voor zijn leger zijn.
Hij zal haar rijkdom wegdragen, haar buit meenemen en haar plunderen.
Dat zal het loon voor zijn leger zijn.
Als beloning voor het werk dat hij tegen Tyrus gedaan heeft, heb ik hem het land Egypte gegeven.
Want zij hebben voor mij gewerkt, zegt de Heere HEERE.
Want zij hebben voor mij gewerkt, zegt de Heere HEERE.
Op die dag zal ik de hoorn van het volk van Israël laten uitspruiten.
En jou zal ik te midden van hen weer laten spreken.
Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben.
En jou zal ik te midden van hen weer laten spreken.
Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben.