Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
3 Ezra 6
De brief aan Darius over de bouw
Wie heeft u bevolen te bouwen?
In het tweede jaar van de regering van Darius profeteerden de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo, over de Joden in Judea en Jeruzalem, in de naam van de God van Israël.
Toen stonden Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Josedek, op en begonnen zij het huis van de Heere in Jeruzalem weer te bouwen, want de profeten van de Heere waren bij hen en hielpen hen.
In die tijd kwamen Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun collega's bij hen en zeiden tegen hen:
Wie heeft u bevolen dit huis te bouwen en dat dak en al die andere dingen af te maken?
En wie zijn de bouwers die dit optrekken?
En wie zijn de bouwers die dit optrekken?
Nadat het onderzoek gedaan was over de ballingen, kregen de oudsten van de Joden genade van de Heere, en zij werden niet in de bouw verhinderd totdat men Darius hiervan op de hoogte zou brengen en er antwoord zou komen.
Dit is het afschrift van de brief die hij aan Darius geschreven en gestuurd heeft:
De brief van Sisinnes
Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun collega's, de leiders in Syrië en Fenicië, wensen koning Darius voorspoed.
Laat het onze heer de koning geheel bekend zijn dat wij, toen wij in het land Judea aankwamen en de stad Jeruzalem binnengingen, gevonden hebben dat de oudsten van de Joden, die in ballingschap zijn geweest,
in de stad Jeruzalem een nieuw en groot huis voor de Heere aan het bouwen waren, met gehouwen kostbare stenen en met houtwerk in de muren gelegd,
en dat dit werk met ijver gebeurt, dat het werk voorspoedig onder hun handen vordert en dat het met grote pracht en zorgvuldigheid wordt uitgevoerd.
Toen hebben wij die oudsten gevraagd: wie heeft u bevolen dit huis te bouwen en het fundament van deze werken te leggen?
Wij hebben hun dat gevraagd om het u bekend te kunnen maken en u te kunnen schrijven wie de mannen zijn die hierover zijn aangesteld.
Wij hebben hun ook schriftelijk de namen van hun leiders gevraagd.
Wij hebben hun ook schriftelijk de namen van hun leiders gevraagd.
Maar zij hebben ons geantwoord: wij zijn kinderen van de Heere, die hemel en aarde geschapen heeft.
En dit huis is heel veel jaren geleden gebouwd door een grote en machtige koning van Israël, en het is voltooid.
En omdat onze voorouders tegen de Heere van Israël, die in de hemel is, gezondigd hadden en Hem verbitterd hadden, gaf Hij hen over in de handen van Nebukadnezar, de koning van Babel, de koning van de Chaldeeën.
Die hebben dit huis afgebroken en verbrand en het volk als gevangenen naar Babel weggevoerd.
Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land Babylonië regeerde, heeft koning Cyrus geschreven dat men dit huis weer moest bouwen.
En het heilige gouden en zilveren gerei dat Nebukadnezar uit het huis van God in Jeruzalem had weggevoerd en in zijn tempel had gezet, dat haalde koning Cyrus weer uit de tempel in Babel, en het werd overgedragen aan Zerubabel en aan Sesbassar, de stadhouder.
Hem werd bevolen al dat gerei mee te nemen en in de tempel in Jeruzalem te zetten, en dat de tempel van de Heere op zijn plaats gebouwd zou worden.
Toen Sesbassar daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis van de Heere in Jeruzalem, en vanaf die tijd tot nu toe werd het gebouwd, maar het is nog niet voltooid.
Nu dan, als het u goeddunkt, heer koning, laat dan onderzoek doen in de koninklijke archieven van Cyrus.
En als blijkt dat de bouw van het huis van de Heere in Jeruzalem met instemming van koning Cyrus gebeurd is, en het onze heer de koning goeddunkt, geef ons daar dan antwoord over.
Het besluit van Cyrus wordt teruggevonden
Toen gaf koning Darius bevel onderzoek te doen in de archieven in Babel, en er werd in Ecbatana, de stad in het land Medië, een plek gevonden waar dit geschreven stond:
In het eerste jaar dat Cyrus regeerde, gaf koning Cyrus bevel dat men het huis van de Heere in Jeruzalem zou bouwen, waar men offers zou brengen op een altijd brandend vuur.
De hoogte zou zestig el zijn en de breedte zestig el, met drie lagen gehouwen stenen en een laag nieuw hout uit dat land, en de kosten zouden uit het huis van koning Cyrus betaald worden.
En het heilige gerei van het huis van de Heere, van goud en van zilver, dat Nebukadnezar uit het huis van de Heere in Jeruzalem had weggevoerd en naar Babel had gebracht, zou men terugbrengen naar het huis van de Heere in Jeruzalem, naar de plaats waar het gestaan had, zodat het daar weer neergezet kon worden.
Het antwoord van Darius
Hij gaf ook bevel aan Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en aan Sathrabusan en hun collega's en de andere landvoogden die in Syrië en Fenicië waren aangesteld, ervoor te zorgen dat zij zich van die plaats zouden onthouden en dat zij de dienaar van de Heere en de leider van Judea, Zerubabel, en de oudsten van de Joden dit huis van de Heere op zijn plaats zouden laten bouwen.
En ik heb daarbij ook bevolen, schreef hij, dat zij het helemaal zullen opbouwen, en dat men er goed op toeziet dat men de Joden die uit de ballingschap zijn, helpt, totdat het huis van de Heere voltooid is.
Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met zorg een bijdrage wordt gegeven aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, als offer voor de Heere, namelijk voor stieren, rammen en lammeren,
en ook graan, zout, wijn en olie, elk jaar zonder onderbreking, zoals de priesters in Jeruzalem zullen aangeven dat er dagelijks nodig is, en dit zonder uitstel,
zodat er drankoffers gebracht worden aan de allerhoogste God, voor de koning en zijn kinderen, en zodat zij bidden voor hun lange leven.
Verder zal men bevelen: wie iets overtreedt of tenietdoet van wat hier geschreven staat, van diens eigen huis zal men een balk nemen en hem daaraan ophangen, en zijn bezit zal aan de koning vervallen.
Daarom ook: de Heere, wiens naam daar wordt aangeroepen, doe elke koning en elk volk teniet dat zijn hand uitsteekt om dit huis van de Heere in Jeruzalem te verhinderen of te beschadigen.
Ik, koning Darius, heb besloten dat dit zorgvuldig zal worden nagekomen.